Rust voor ouwe koeien

De Leemweg in het Friese Zandhuizen is het enige opvangadres voor bejaarde runderen. Veehouder Bert Hollander zorgt voor 40 dieren.

Vegetariër en veehouder Bert Hollander met de os Rinus. Foto Koos Dijksterhuis
Vegetariër en veehouder Bert Hollander met de os Rinus. Foto Koos Dijksterhuis Dijksterhuis, Koos

Wie de stal van Bert Hollander betreedt, ontmoet een zwartwitte massa spieren, vlees en huid. Een stier van twee meter schouderhoogte zwaait zijn kop langzij om de bezoeker te vorsen. Later vertelt Bert dat deze stier, Matthias, hier is geboren en één van de goeiigste lobbesen is van zijn veertig runderen. Hij slaat zijn arm om de stierennek. Matthias laat het zich aanleunen. Maar wat een gevaarte, hij torent boven zijn moeder uit, de bejaarde koe naast hem. Nadere inspectie verraadt dat het een os is.

Bert erfde elf jaar geleden het bedrijf van zijn ouders in het Stellingwerfse Zandhuizen (Zuidoost-Friesland). Sindsdien runt hij het opvanghuis de Leemweg voor runderen, „van wie de eigenaar het niet over zijn hart krijgt ze dood te maken”, zoals Bert het formuleert. Daar zit een koe bij die tussen wal en schip viel bij een boedelscheiding van een veehoudersechtpaar. De boer kon haar niet verkopen want dan had hij de opbrengst met zijn ex moeten delen. In de Leemweg geniet de koe van een relaxte oude dag. Dat geldt ook voor Klaartje en Victoria, die beide op weg naar het slachthuis wisten te ontsnappen. „Victoria sprong over een hek van één tachtig en is zes dagen op de loop geweest. Reken maar dat ze doodsbang worden in het slachthuis. Volgens mij ruiken ze het bloed.”

Ontsnappende runderen richten vaak grote schade aan. Eén van Berts eerste bewoonsters was de legendarische vleeskoe Fokje, een kolossale Piemontese dikbil, die inmiddels is overleden. Die verwoestte in twee uur tijd vele tuinen en sprong dwars door een etalageruit. Zulke heldhaftige runderen komen in het nieuws en worden door bewonderaars vrijgekocht. Dan rest maar één bestemming: de Leemweg.

Klaartje deinst terug. „Ze is nog steeds waakzaam, maar Victoria niet meer”, vertelt Bert. „Toen Vic hier net was, viel ze een andere koe aan. We hebben haar horens moeten afzagen, die inmiddels weer zijn aangegroeid. Klaartje was drachtig en baarde een stierkalf, met die enorme horens daar. In de wei zijn ze altijd samen.” Toen Hollander het koppel moeder (Eefje) en zoon (Marcus) ging scheiden door ze in een andere verblijf onder te brengen bleven ze loeien tot ze weer in één ruimte mochten. De veehouder wijst twee koeien aan die elkaar niet kenden toen hij ze kreeg, maar die steeds bij elkaar wilden zijn. „Die ene bleek de moeder te zijn van de ander”, vertelt hij.

Met veertig runderen zit de Leemweg vol. Er zijn Holsteiners maar ook blaarkoppen, Limousins, een lakenvelder en een Friese zwartbonte. Eén van zijn laatste aanwinsten is een koe die door een Haagse kinderboerderij werd afgedankt. Er is een wachtlijst en voor elke nieuwkomer moet een oude zijn overleden. Als ze veel pijn hebben waar niets aan te doen is, laat Bert ze afmaken. „Ik krijg soms zulke verwaarloosde dieren.” Maar de meeste hebben een luizenleven. ’s Zomers de wei, ’s winters de stal waar Bert vijf keer daags het stro ververst, dat zijn dieren continu onderklateren.

De runderen liggen op speciale koeienmatrassen die met geld van donaties zijn aangeschaft. Toch komen zelfs hoogbejaarde dieren nog graag overeind. „Toen ik begon, kon niemand me vertellen hoe oud koeien kunnen worden”, vertelt Bert. „De oudste is al 22 jaar. Niemand had verstand van de verzorging van oude runderen. Ze worden niet meer gemolken, dus gaf ik ze het voer dat melkkoeien krijgen als ze droog staan. Dat lijkt logisch, maar van dat kalkarme dieet kregen ze kromme poten.”

Hoe komt een boerenzoon ertoe de boerderij van zijn ouders als runderopvang te gebruiken? „Als er vroeger een koe was verkocht, kwam er bij ons drie weken geen vlees op tafel”, vertelt hij. „Want je zou je eigen koe op je brood kunnen krijgen. Zelf werd ik op mijn dertiende vegetariër.”

Terwijl hij os Rinus eens flink over zijn flank rost, zegt Bert dat de ossen nooit problemen maken, maar de koeien wel eens, bijvoorbeeld bij het hoeven kappen. De uitzondering is Dorte, die haar kop reikhalzend uitsteekt als Bert nadert. „Zij is bijkans verliefd op me”, lacht hij.