Hella

Helaas kan ik voorlopig niet meer op zondagmorgen wakker worden met Hella van der Wijst. Het is al vakantie in Hilversum – het is altijd vakantie in Hilversum, op enkele sombere wintermaanden na – en zij komt pas na de zomer terug met haar KRO-tv-programma De wandeling. Wie had ooit gedacht dat ik een steeds trouwer kijker zou worden van dit knusse, naar katholiek wijwater geurende programma?

Hoe ging dat ook alweer? Op zondagmorgen zat ik nog wel eens in mijn ochtendjas slaperig naar voetbalflitsen op de BBC te kijken. Als die me verveelden, zapte ik naar Nederlandse zenders en zo kwam ik op een goede – ik herhaal: goede – dag bij Hella terecht. Daarna zijn we nooit meer uit elkaar gegaan, enkele korte perioden van gedwongen verwijdering daargelaten.

Op de website van de KRO karakteriseert Hella (1964, geboren in, hoe kan het anders, Veghel, Noord-Brabant) zichzelf desgevraagd als volgt: „Ongeneeslijk optimistisch, ongeneeslijk journalistiek, ongeneeslijke uitslaper, ongeneeslijk natuurmens.” Onze verschillen zijn dus groot: alleen dat ongeneeslijk journalistieke deel ik met haar, voor het overige kan ik veel van haar leren. Toch is dat niet de enige reden waarom ik geboeid naar haar kijk.

Hella van der Wijst zal nooit Nipkowschijven winnen, nooit uitvoerig geanalyseerd worden door tv-critici, nooit de opvolger worden van Sophie Hilbrand bij Spuiten en Slikken. Haar naam valt zelden in de Amsterdamse grachtengordel. John de Mol, ik hoef het hem niet eens te vragen, heeft Hella niet nodig.

En toch heeft Hella iets – iets dat op de Nederlandse televisie zó zeldzaam begint te worden dat het van de weeromstuit opvalt.

Aandacht, ongeneeslijke aandacht, dat is het. En: tijd. Bij Hella hoeven de gasten niet met het mes van de tijdnood op de keel te praten. „Vertel!”, beveelt de Nederlandse tv-presentator, en je hoort hem denken: „Schiet wel een beetje op.”

Hella kuiert al pratend met één gast door berg en dal, bos en duin. Verder zie je niemand, of het moet een overstekend konijntje zijn dat net in een belendend dorp naar de kerk is geweest. (Misschien is dat wel KRO-directeur Ton Verlind in vermomming, denk ik wel eens.) De camera blijft vooral gericht op die twee mensen die door dat prachtige Nederlandse landschap lopen. Hella vraagt, kort, simpel, altijd ter zake, de ander antwoordt, geleidelijk ontwapend door al die gerichte aandacht.

Na een halfuurtje heb je het gevoel dat je van die ander alles weet wat je wilt weten – niet te veel, niet te weinig. Meestal gaat het om gewone, onbekende mensen. De keren dat ook Hella voor de Bekende Nederlander bezweek, heb ik afgehaakt. Ik wil wonderbaarlijke verhalen horen, die ik nooit eerder heb gehoord.

Laatst praatte ze met Joy van der Stel, een jonge vrouw die voor tachtig procent spastisch geboren was. Haar rolstoel had haar niet verhinderd een aardige man te vinden, een kind te baren en aan het werk te gaan. „Je handicap mag nooit een excuus zijn om niets te bereiken”, had haar vader haar altijd voorgehouden.

Al kijkend kreeg ik opeens zin om ook ongeneeslijk optimistisch te worden. Met Hella aan mijn zij moet dat kunnen lukken.