Grondrecht en burgerplicht

Het kabinet wil ‘verantwoordelijk burgerschap’ in een handvest vastleggen. Dat is een vaag en gevaarlijk voornemen.

Het kan nog knap ingewikkeld worden met het regeerakkoord van het vierde kabinet-Balkenende. Neem deze passage: „Alle burgers die zich beschermd weten door de grondwettelijke vrijheden in ons land, hebben ook de plicht die grondrechten, zoals de vrijheid van godsdienst en de vrijheid van meningsuiting, te verdedigen, ook, of juist in de eerste plaats voor de ander”. En: „Gelijke behandeling is een van de grondrechten in onze samenleving.”

Wat betekent dit eigenlijk? Een voor de hand liggende conclusie is dat een ambtenaar van de burgerlijke stand als eerste opkomt voor het (overigens ook wettelijk erkende) recht van de ander om te trouwen met een persoon van het gelijke geslacht, ook al is die ambtenaar daar persoonlijk tegen. Geen discriminatie op grond van geslacht, zegt de grondwet.

Dat is echter niet waar het kabinet aan denkt. Ter verdediging van de grondrechten „wordt de ontwikkeling van een handvest voor verantwoordelijk burgerschap ter hand genomen”. De CU-prominenten André Rouvoet en Egbert Schuurman bepleitten (NRC Handelsblad, 12 januari 2005) al een „handvest burgerplichten”. Onder het vorige kabinet nam Balkenende het punt al graag op, maar een handvest ging hem te ver. Hij benadrukte veeleer dat „burgers ruimte hebben om zelf vorm te geven aan hun verantwoordelijkheid als deelnemers aan het maatschappelijk verkeer”.

Dat het nieuwe kabinet-Balkenende het accent verlegt van eigen verantwoordelijkheid naar een handvest is méér dan een kwestie van etikettering. Het haalt een gevaarlijk duveltje uit het doosje, de ‘Universele verklaring van de verantwoordelijkheden van de mens’. Onder deze titel lanceerde een raad van staatslieden, onder wie de Nederlandse oud-premier Van Agt, in 1998 een tegenhanger van de vijftig jaar eerder plechtig afgekondigde Universele verklaring van de rechten van de mens.

De echte Universele verklaring is de bakermat geworden van twee grote bindende verdragen waarin de burgerlijke, politieke, sociale, culturele en economische grondrechten mondiaal zijn neergelegd, later aangevuld met verdragen over de rechten van vrouwen, kinderen en onlangs nog weer gehandicapten. De verklaring sluit af met een waarschuwing: „eenieder heeft plichten jegens de gemeenschap, zonder welke de vrije en volledige ontplooiing van zijn persoonlijkheid niet mogelijk is”.

Deze algemene bepaling heeft niet geleid tot een uitgewerkte catalogus van burgerplichten. Daar is een goede reden voor. Weliswaar stellen al die verschillende grondrechtenartikelen de vrijheid voorop, zij erkennen tegelijk dat deze niet onbeperkt is. „Behoudens ieders verantwoordelijkheid voor de wet” zoals de klassieke toevoeging aan de persvrijheid in onze grondwet luidt. Het Europees verdrag voor de mensenrechten bindt beperkende wetten aan de eis van noodzakelijkheid in een democratische samenleving en enkele specifiek opgesomde gronden.

De informatievrijheid en godsdienstvrijheid in de regeringsverklaring leveren een illustratie van de risico’s van algemene doch vage burgerplichten. De ontwerpverklaring van 1998 bevatte een universele plicht van de media hun werk „met verantwoordelijkheid en discretie” te doen. In de nieuwe Raad voor de mensenrechten van de Verenigde Naties heeft Pakistan een resolutie ingediend over de verantwoordelijkheid van de media. Deze zegt dat de uitingsvrijheid kan worden beperkt uit „respect voor godsdiensten en geloofsovertuigingen”.

De organisatie Human Rights Watch toont zich terecht bezorgd over de nadruk op het abstracte belang van godsdienst in plaats van op individuele verantwoordelijkheid in deze tekst. Dat is een maar al te gemakkelijk excuus voor overheden om de vrijheid van gedachten en geweten te beknotten.

Er zitten ook heel concrete bezwaren vast aan de juridisering van burgerschap, blijkt uit het afscheidscollege ‘Burgerplichten jegens de overheid’ van de Utrechtse hoogleraar bestuursrecht Gio ten Berge, vorig jaar december (uitgave Kluwer). Hij wees op de Algemene wet bestuursrecht die in de jaren negentig de rechtsbescherming van de burger tegen de overheid moest vastleggen. Deze wet introduceerde echter ook het beginsel van „wederkerigheid”: de burger moet ook iets terugdoen. Dit is een bron van algemene vage bevoegdheden voor bestuursorganen waarvoor de normale eisen van wettigheid en doelgerichtheid niet gelden, terwijl burgers worden opgezadeld met onduidelijke verplichtingen waartegen ze zich niet of nauwelijks kunnen verweren.

Ten Berge: „Wat met de wet voor het oog van de natie werd gegeven, werd met een nieuw onzichtbaar beginsel teruggenomen.” Een handvest verantwoord burgerschap dreigt daar alleen maar een schepje bovenop te doen. De Universele Verklaring van 1948 koos voor de mens en niet voor de staat. Deze opgave is al groot genoeg en verdient het niet te worden verwaterd.

Frank Kuitenbrouwer is medewerker van NRC Handelsblad.kuitenbrouwer@nrc.nl