Terug naar Nanhsuchou

Nobelprijs-winnares Pearl S. Buck schreef bestsellers over Chinese boeren. De studerende nazaten weten niet meer wie zij is. „Ik heb me altijd afgevraagd wie dat standbeeld voorstelt.”

Standbeeld Pearl Buck in Chinese stad Suzhou Foto Carolijn Visser
Standbeeld Pearl Buck in Chinese stad Suzhou Foto Carolijn Visser

Een oude vrouw trapt een bakfiets voort langs het spoor. Het graan is geoogst. Boven de kale akkers hangt een zandkleurige nevel. Met een kleine tractor, die zich schokkerig over het land beweegt, is een boer aan het ploegen. Een man en een vrouw laden een berg maïsstengels op een kar. Om de beurt steken ze een hooivork in de goudbruine hoop en heffen die hoog boven zich.

Alleen een Chinees echtpaar, stel ik vast, kan op die doelgerichte manier samenwerken, als een span trekpaarden. De hoofdfiguren uit de roman De Goede Aarde van Pearl Buck spelen door mijn hoofd: O-lan en Wang Lung. Samen planten ze, samen snijden ze het rijpe graan met hun zeis.

Hier, in het droge, arme noorden van de provincie Anhui, speelt het boek dat Pearl Buck wereldberoemd heeft gemaakt. Langzaam rolt mijn trein het station van Suzhou binnen.

Toen Pearl hier aankwam, in de zomer van 1917, lag het spoor er pas tien jaar. Daarvoor was deze streek alleen per muilezel of draagstoel te bereiken. Pearl had haar jeugd doorgebracht in het groene, vruchtbare zuiden van China waar haar vader, een Amerikaanse zendeling, Gods Woord verkondigde. Ze sprak vloeiend mandarijn. In haar ouderlijk huis dat uitkeek over de snelstromende Yangtse rivier, was Pearl een paar weken eerder getrouwd met Lossing Buck, een boerenzoon uit de staat New York, die als landbouwkundige voor de zending werkte. Het jonge paar begon een nieuw bestaan in deze stad, toen Nanhsuchou geheten. Hij zou onderzoek gaan doen naar Chinese landbouwmethoden en Pearl ging Engelse les geven op de zendelingenschool, maar ze zou vooral als assistente en tolk van haar man gaan fungeren. Ze was 25. Pearl had nog nooit iets gepubliceerd en verwachtte dat de rol van echtgenote en moeder haar verdere leven zou gaan vullen.

Als die avond de duisternis valt, loop ik door de stad. Eerst over de hoofdstraat, waar de neonletters aan de nieuwe winkels gloeien, dan door de oude buurt daarachter. Op een kruispunt is het druk, mensen verdringen zich rond kraampjes met mandarijnen en meloenen. Twee mannen bakken pannenkoeken met geroutineerde gebaren. Boven hen hangen kale peertjes aan een snoer, die hen doen baden in plassen geel licht. „Het was in deze kleine noordelijke stad, dat ik voor het eerst de vreemde schoonheid van Chinese straten bij nacht voelde”, schreef Pearl Buck in haar autobiografie. Ze maakte ’s avonds lange wandelingen om te ontsnappen aan haar huwelijk, dat haar al snel ging beklemmen. Buiten, onderweg in de duisternis, knapte ze op: overal waren mensen ergens mee bezig. In China hoeft niemand ooit alleen te zijn.

De volgende ochtend vroeg raak ik verdwaald tussen een verzameling identieke flats. Ik zoek de woning van meneer Zhao, een gepensioneerde docent klassieke Chinese taal, wiens oudere zuster, is me verteld, een leerling van Pearl Buck is geweest. Een vrouw spreekt me aan, ze is ingenieur, begrijp ik. Haar kapsel is kort en recht geknipt, zoals dat tijdens de Culturele Revolutie mode was. Na een blik op het adres in mijn hand, gebaart ze naar de verte en marcheert in soldatenpas met me mee. „Long live Chairman Mao!”, roept ze. En nog eens: „Long live Chairman Mao!” „Long live Chairman Mao”, echo ik terug. „Eerste verdieping”, wijst ze bij een trap.

De grijze vrouw die opendoet kijkt verschrikt, maar als ik de Chinese naam van Pearl Buck noem, Sy Zhen Zu, afgeleid van Pearls meisjesnaam Sydenstricker, gebaart ze me haastig binnen te komen. Meneer Zhao zit aan een donkerhouten tafel bij een open balkondeur, uitkijkend op een paar platanen. Hij is ver in de tachtig en komt moeilijk overeind. „I believe in Jezus, our Lord”, introduceert hij zichzelf. De lijn naar Pearl Buck is gelegd. Haar jeugd, uiteindelijk haar hele leven, werd bepaald door een vader die alleen oog had voor zijn volgelingen.

Het gesprek vordert moeizaam. Meneer Zhao beheerst de Engelse taal, maar hij is ook stokdoof. Mevrouw Zhao legt een pen in mijn hand en tikt op een vel papier. „Wat heeft uw zuster over Pearl Buck verteld?”, schrijf ik op. „Weinig”, roept meneer Zhao, „ze was een goede lerares!” Dan noteer ik de vraag die mij sinds lang bezighoudt: waarom was Pearl zo ongelukkig met Lossing Buck? In haar autobiografie geeft ze daar geen bevredigende verklaring voor. Meneer Zhao lacht en spreidt zijn handen: „Zij was veel intelligenter dan hij!” Ondertussen heeft mevrouw Zhao een telefoongesprek gevoerd. Iemand zal me vergezellen naar het huis waar Pearl Buck gewoond heeft, toetert meneer Zhao. Zelf kan hij niet mee, zijn benen willen hem niet meer dragen.

Is het toeval dat de jonge vrouw die verschijnt, Carie als westerse naam gekozen heeft? Zo heette de moeder van Pearl, die in de loop van haar leven in China letterlijk verteerd werd door heimwee naar Amerika. Chinese Carie is begin twintig en geeft Engelse les op een middelbare school in de stad. Ze draagt een strakke spijkerbroek met geborduurde zakken. Onder haar arm klemt ze een tasje met een konijntje erop. Meneer Zhao instrueert haar uitgebreid. Carie blijkt nooit van Pearl Buck te hebben gehoord. „Jonge mensen!”, roept meneer Zhao ontstemd. Carie is verbijsterd: een Amerikaanse schrijfster, wier boeken in tientallen talen zijn vertaald, heeft jaren in haar stad geleefd?

Buiten wenkt ze een taxi. „Naar het ziekenhuis”, zegt ze tot mijn verbazing. We rijden achter een ambulance aan, tot op een ommuurd terrein. Carie vraagt iets bij de receptie. Ik volg haar door een gang, waar patiënten geduldig wachten, totdat we weer buiten zijn. „Hier”, zegt Carie beslist. Ze wijst op een huis van grijze baksteen en met lieflijke gele vensters en deuren. Met de rug staat het vrijwel tegen de Eerste Hulp aangeleund.

„Hier?”, vraag ik verwonderd. „Ik keek door mijn ramen op een dijk uit, waarop de stadsmuur stond, hecht, met een stenen toren aan elke hoek en omringd door een gracht”, schreef Pearl in haar autobiografie. „Ontzaglijke, met ijzer beslagen houten poorten waren ’s nachts gesloten met het oog op bandieten en rondzwervende soldaten.” Teleurgesteld stel ik vast dat er rond het huis van Pearl in de loop van de tijd blijkbaar een heel ziekenhuis is gebouwd. Carie raadpleegt haar notities, Meneer Zhao heeft haar van alles op luide toon gedicteerd.

„Nee, eerst stond dit huis ergens anders”, zegt ze kalm, alsof huizen dagelijks verplaatst worden. „Enige jaren nadat Pearl en Lossing Buck naar Nanjing waren verhuisd”, leest ze voor, „werd deze stad regelmatig door de Japanners gebombardeerd. De buitenlandse zendelingen vreesden dat het mooie huis getroffen zou worden. Daarom hebben ze het afgebroken en het op het ziekenhuisterrein opnieuw opgebouwd.” „Waarom hier?” vraag ik. Carie leest verder: „Het ziekenhuis zou geen doelwit zijn, zo werd verwacht.”

We betreden een hal met een glanzend rood gelakte vloer. Een vrouw in een witte jas begroet ons. Ze ontvangt vaker buitenlandse gasten die op zoek zijn naar sporen van de Amerikaanse schrijfster. „Dit pand is beschermd erfgoed”, zegt ze trots. „De gemeente heeft het onlangs geheel gerestaureerd.” We beklimmen een trap met bloedrode treden, mijn hand glijdt over de welvende leuning van glad hout. In de fraai geproportioneerde slaapkamers staat helemaal niets, houten vloeren kraken onder onze voeten, overal ruikt het naar verf.

De beheerster opent een deur naar een merkwaardig klein vertrekje met opvallend veel ramen aan twee kanten. De plantenkamer, vermoed ik. Hier kweekte Pearl Buck stekjes, hier beschermde ze haar kwetsbaarste bloemen tegen winterse vorst. „In de herfst deden de chrysanten en in mei en juni de gouden Sjantoeng-rozen het goed”, schreef ze.

Beneden mogen we na enig aandringen toch ook de rommelige kamers zien waar het archief van het ziekenhuis staat opgeslagen. Tussen stellingen met dozen en mappen ontdek ik een uitnodigende open haard. Gefilterd licht valt binnen door een prachtig achtkantig raam. Het lukt mij niet iets anders voor te stellen dan een vredig bestaan in deze ruimten. Ik zie Pearl voor me, gezeten in een gemakkelijke rotan stoel, verdiept in een boek, en Lossing, die tegenover haar geïnteresseerd een Amerikaans landbouwtijdschrift leest. Misschien is de sfeer van het huis veranderd, nadat het is verplaatst. Wellicht is het ongeluk van Pearl achtergebleven op de oude locatie.

Carie wil me nu de nieuwe winkels van de stad laten zien waar je Nike en Reebok kleding kunt kopen, net als in Shanghai. We kunnen ook iets gaan eten bij McDonald’s, stelt ze voor.

Ik heb een ander plan. De Goede Aarde, het beroemdste boek van Pearl Buck, gaat over een familie die iets buiten de stadsmuren hun akkers bewerkte. „Het bezoeken van boerenfamilies werd mijn speurtocht naar de werkelijkheid”, schreef Pearl in haar autobiografie. „Zij waren het dichtst bij de aarde, bij geboorte en dood.” „Kunnen we een bezoek brengen aan een dorp?”, vraag ik. Carie heeft verre familie op het platteland, zegt ze. „Hoe het met ze is, zou ik niet weten. Ik heb ze lang niet gezien.”

Een bus brengt ons voorbij een rokende energiecentrale en zendmasten voor mobiel telefoonverkeer. Waar een geel zandpad begint, gaan we te voet verder. Carie moet even zoeken. „Er is een tweede verdieping boven op het huis gekomen”, stelt ze vast. Een verre tante ontvangt ons in een woonkamer met een witte tegelvloer en een bankstel van lichtgroene skai.

Carie informeert naar de nieuwe etage die is gebouwd. „Onze oudste zoon is getrouwd, hij woont nu boven met zijn vrouw”, zegt de tante en voegt daar trots aan toe: „We hebben een kleinzoon sinds kort.” Lachend troont ze ons mee naar een slaapkamer waar moeder en kind liggen te rusten. Het jongetje, vijfentwintig dagen geleden geboren, is gewikkeld in een rood dekentje. De kraamvrouw draagt een mutsje tegen de kou. Ze voelt zich slap, zegt ze. Olan, de vrouw uit De Goede Aarde, baarde ’s ochtends een kind en moest ’s middags alweer op het land aan de slag. Deze moeder heeft drie maanden vrij van haar werk in een restaurant. Ze heeft haar man, de zoon des huizes, op het werk ontmoet. Zij serveert, hij is kok. De tweede zoon van de familie repareert motoren in een garage. Alleen tante en de oom verdienen nog de kost op het land. „Dit dorp ligt dicht bij de stad”, zegt Carie. „Hier kunnen de mensen makkelijk geld verdienen, verder weg zijn de boeren armer.”

Carie’s oom treffen we op een veld achter het huis. Om hem heen staan mannen met kijkers en statieven. „Ze gaan een weg aanleggen”, zegt oom en hij gebaart hoe die zal lopen, vlak langs het dorp. In de vorm van een rotonde zal hij aansluiten op de route waarover wij gekomen zijn. „Voor de ontwikkeling van de streek is het een goede zaak”, zegt oom diplomatiek. Voor hem zelf niet, hij moet een lap grond verkopen aan de staat. Achtduizend yuan zal hij ervoor krijgen, een tiende van wat het op de vrije markt zou opbrengen.

Oom schetst de situatie schijnbaar onaangedaan. „Het heeft geen zin om kwaad te worden”, zegt Carie. „Die weg komt er toch.” „Misschien moet ik in de grote stad gaan werken”, zegt oom strak. Dan licht zijn gezicht op: „Hebben jullie mijn kleinzoon al gezien?”

Carie en ik volgen een pad dat door een boomgaard leidt. We zijn op weg naar grootmoeder Yang, de oudste inwoner van het dorp, de enige wier voeten als klein meisje gebonden zijn. Oom zei dat we bij haar moesten zijn met onze vragen over vroeger.

Voor een huisje, meer een schuurtje, zit een oude vrouw op een kruk. Ze is zo krom dat ze bijna niet kan opkijken. Tachtig is ze, misschien wel bijna negentig, zegt ze. Toch is ze aan het werk; ze is bezig de wattige bolletjes uit katoenbloemen te plukken. We hurken bij haar neer. „Wie heeft destijds uw voeten gebonden?” vraagt Carie. „Mijn moeder”, zegt de oude vrouw en draait haar troebele ogen naar ons toe. „Maar ik huilde ’s nachts zo veel, mijn grootvader heeft toen gezegd dat ze niet strakker gemaakt mochten worden. Later, toen ik op het land moest werken, heb ik de wikkels los gemaakt, ik kon niet lopen. Mijn voeten zijn daarna gegroeid, maar normaal zijn ze nooit meer geworden.” Zwijgend staren wij naar haar katoenen schoenen terwijl haar handen bezig blijven.

Op haar twintigste trouwde grootmoeder Yang – dankzij bemiddeling van een koppelaarster – met een jongeman wiens moeder was gestorven. Zij moest voor zijn jongere broers en zijn vader zorgen. Zes kinderen kreeg ze in totaal, de laatste baarde ze helemaal alleen. De navelstreng had ze doorgesneden met een aangescherpt stuk riet, net zoals O-Lan uit De Goede Aarde.

‘Met een dochter was niemand blij”, vertaalt Carie. Pearl Buck schreef: „Een boerenvrouw kon haar eigen pasgeboren meisje worgen, als ze wanhopig genoeg was bij de gedachte dat de familie weer een mond moest voeden.” „Voor mij waren dochters en zonen gelijk”, reageert grootmoeder Yang onverwachts fel, maar dan vullen haar ogen zich met tranen. „Toch heb ik ooit twee dochters moeten wegdoen.” Een traan druipt over haar oude wang, en ook Carie is door emotie overmand.

„Ik heb er mijn hele leven spijt van gehad”, fluistert de vrouw. „Maar ik kon niet anders, er was niets te eten. Mensen zeiden tegen mij: al jouw kinderen zullen sterven als ze geen moeder meer hebben, verkoop je twee dochters.” Grootmoeder Yang zucht: „Ik had niet naar ze moeten luisteren.” Ze heeft het over de rampjaren die volgden op de Grote Sprong Voorwaarts, maar de situatie lijkt precies op de hongersnood die Pearl Buck beschrijft in De Goede Aarde.

„Mijn kinderen schreeuwden om eten”, vervolgt grootmoeder Yang, geluidloos huilend. „Ik moest gaan bedelen in de stad, een grotere schande heb ik nooit meegemaakt. Als ik thuiskwam besprongen mijn kinderen me, zo erg waren ze eraan toe.” De vrouw ondersteunt haar hoofd met haar handen, ze lijkt geknakt.

Carie probeert haar op te beuren: „Daar loopt u zoon, hij is gezond. Alles is veranderd, in de stad zijn honderden nieuwe winkels gekomen.” „Ik zou het niet weten”, zegt grootmoeder Yang verslagen. „Nadat ik in de stad heb moeten bedelen, ben ik er nooit meer terug geweest. Ik wil mijn gezicht daar nooit meer laten zien.”

Op de terugweg stappen we uit bij Middelbare school nummer 1. Meneer Zhao vertelde dat we daar een standbeeld van Pearl Buck zouden vinden. Carie, die hier lesgeeft, heeft het nog nooit gezien. „Oh, is dat het! Ik heb me altijd al afgevraagd wie dat voorstelt”, zegt ze als we in een parkje op het terrein het moederlijke gezicht van Pearl ontdekken. Op de sokkel staan zowel haar westerse als haar Chinese naam gegraveerd.

Het is zaterdagmiddag, iedereen heeft vrij. Een stroom jongens en meisjes, gekleed in spijkerbroeken en T-shirts trekt aan ons voorbij. „Het merendeel komt uit dorpen zoals dat waar we net waren, of uit veel armere dorpen verder weg”, zegt Carie. Bijna tienduizend leerlingen wonen in grote, nieuwe flats, achter de leslokalen. „Hun familie legt al hun geld bij elkaar om de kosten te betalen”, zegt Carie.

Niet een van deze jongeren zou opvallen in de straten van Amsterdam, zeg ik. „Nummer 1 is slechts een van de tien middelbare scholen van Suzhou”, reageert Carie trots. „Vrijwel al onze leerlingen gaan door naar een universiteit.” Voor de achterkleinkinderen van O-lan en Wang Lung is hoger onderwijs geen onmogelijkheid. Pearl Buck sprak er destijds schande van dat maar vijf procent van de Chinezen vlot kon lezen.

Een verplaatst huis en een beeld waarvan alleen meneer Zhao en misschien een paar generatiegenoten weten wie het is. In 1926 moest Pearl Buck het land hals over kop verlaten, buitenlanders werden met de dood bedreigd, maar ze keerde terug en schreef De Goede Aarde. Haar naam was gemaakt. In 1934 verliet ze China opnieuw, deze keer om zich in de Verenigde Staten te vestigen en zo te ontsnappen aan haar huwelijk met Lossing Buck. Twee jaar later kreeg ze de Nobelprijs voor haar gehele oeuvre.

Ze zou nooit meer voet op Chinese bodem zetten. Het beeld dat ze van China schetste, beviel de autoriteiten niet. Ze kreeg geen visum. Pearl werd in Amerika gekweld door heimwee. Tot haar dood, in 1973, bleef ze verlangen naar de Chinese steden en de landschappen die ze zo goed kende. Naar een stad als Nanhsuzhou.

Op www.nrc.nl/wereldmachtchina zijn eerdere delen van deze serie te lezen.