Sta voor je waarden, verdedig ze indien nodig, en laat terroristen je niet van de wijs brengen

Na tien jaar regeren kijkt de Britse premier Tony Blair terug onder de vlag ‘Wat ik heb geleerd’. Hij gaat vooral in op de internationale situatie, maar signaleert ook een aantal ontwikkelingen in het binnenlandse beleid.

Tony Blair

Premier van Groot-Brittannië. Hij treedt deze maand terug.

Als u mij tien jaar geleden had gezegd dat ik mij een aanzienlijk deel van mijn premierschap zou bezighouden met buitenlands beleid, zou ik hebben opgekeken. Ik zou ook een beetje geschrokken zijn en waarschijnlijk, als politicus, enigszins verontrust. Ook nu nog concentreren de kandidaten voor het ambt zich vooral op binnenlandse zaken. ‘Buitenlands’ beleid levert zelden stemmen op, en kan gemakkelijk stemmen kosten. En toch zijn wij als leiders meer en meer gedwongen internationaal te denken, te doen en actie te ondernemen.

Ik heb dat steeds belangrijker zien worden. (Als u mij tien jaar geleden had voorspeld dat ik zou strijden tegen terrorisme, had ik gedacht dat u het Iers-republikeinse terrorisme bedoelde.) Het onderscheid tussen ‘buitenlands’ en ‘binnenlands’ beleid vervaagt. Klimaatverandering is een belangrijk thema geworden voor de ontwikkelde landen. Daartegen baat slechts wereldwijd optreden. Wat nu in Pakistan gebeurt, heeft gevolgen voor het leven van alledag in Groot-Brittannië. Massamigratie kan maar ten dele in banen worden geleid door het binnenlandse beleid van afzonderlijke landen. Economieën ondervinden de krachten van de globalisatie.

Bovendien verandert de wereldorde. De politieke macht van China groeit door zijn economische macht. India wordt een reus. Japan laat zijn verleden achter zich. Rusland wordt steeds assertiever.

Daarom is het buitenlandse beleid tegenwoordig niet meer een interessante afleiding van het geploeter met binnenlandse hervormingen. Het bepaalt juist hoe een land zich aan de wereld laat zien, hoe anderen het land zien, en deels ook hoe een land zichzelf ziet. Door de snelheid waarmee beelden de wereld overgaan worden de strijd evenzeer gevoerd met propaganda, ideeën en waarden als met de conventionele diplomatieke en militaire middelen. Daaruit volgt een aantal lessen.

Wees actief, niet passief

De afgelopen tien jaar was Groot-Brittannië betrokken bij alle belangrijke internationale debatten. Wij hebben daarbij geprobeerd zo breed mogelijke overeenstemming te krijgen, op basis van gedeelde waarden. Daarom hebben bestrijding van de armoede in Afrika, een goed resultaat van het wereldhandelsoverleg en een overeenkomst over de klimaatverandering allemaal een gewicht dat uitgaat boven het evidente belang van iedere kwestie afzonderlijk. Ze staan voor een verantwoordelijke houding jegens anderen, voor het inzicht dat de internationale politiek niet alleen maar een spel van belangen moet zijn, maar ook van overtuigingen, van zaken waar wij voor staan en voor strijden.

Daarom moeten wij ook bereid zijn om in te grijpen, zo nodig met militaire middelen, ter voorkoming van genocide en onderdrukking. Groot-Brittannië heeft in het afgelopen decennium viermaal ingegrepen: in Kosovo, Sierra Leone, Afghanistan en Irak. In al die gevallen zijn schrikwekkend wrede regimes afgezet.

Er wordt wel gezegd dat doordat Saddam of de Talibaan – regimes die autoritair waren, maar ook een zekere mate van orde handhaafden – aan de kant zijn gezet, het leven van de Irakezen en de Afghanen zwaarder is geworden en het terrorisme kon groeien. Dat is een verleidelijke maar gevaarlijke redenering. Bedenk eens wat dat argument eigenlijk inhoudt: omdat die reactionaire, boosaardige krachten een felle, terroristische strijd leveren om te voorkomen dat die landen en hun bevolking opkrabbelen nadat de dictatuur is verjaagd, zouden wij die mensen het juk van de dictatuur moeten laten dragen. Dan zou onze wil om te strijden voor onze overtuiging worden bepaald door de wil van de vijand om ons te bestrijden, maar dan omgekeerd evenredig. Op zo’n basis win je nooit iets.

Transatlantische samenwerking blijft essentieel

Het baart mij oprecht zorgen dat in zekere kringen aan weerszijden van de Atlantische Oceaan onverschilligheid, ja zelfs vijandigheid heerst ten aanzien van een bondgenootschap dat voor onze toekomst nog net zo onmisbaar is als in het verleden.

Daarmee doel ik niet alleen op het wijdverbreide anti-Amerikanisme bij delen van links; dat is in zekere zin nog betrekkelijk eenvoudig tegen te gaan. Het gaat er meer om dat we uit elkaar drijven, dat links en rechts soms een vorm van isolationisme opkomt. Een buitenlands beleid dat onafhankelijk is van onze traditionele Europese en Amerikaanse banden? Wordt eens wakker. We zijn veel invloedrijker met die twee allianties achter ons.

De vraag in Europa is of we zo op Amerika moeten blijven leunen. Wij kunnen ons beter afvragen of de politieke leiders in Amerika Europa nog wel als een tweede thuishaven beschouwen.

Bij alle onderlinge verschillen moeten we constateren dat Europa en Amerika dezelfde waarden gemeen hebben. Wij moeten elkaar trouw blijven. Daarvoor is een sterke transatlantische alliantie nodig. Het vereist ook een sterke, effectieve, bekwame Europese Unie. Een zwak Europa is een armzalige bondgenoot. Daarom moeten de landen van de EU en doeltreffende Europese instellingen nauwer met elkaar samenwerken. In een wereld waarin China en India elk driemaal zoveel inwoners hebben als de EU, is iedere andere optie volstrekt achterhaald.

Duidelijkheid over mondiale terreur

Ik vrees dat de wereld, en vooral een groot deel van de westerse publieke opinie, een totaal verkeerde kijk heeft gekregen op dit gevaar. Als er in de nasleep van 11 september een fout is gemaakt, was het dat wij niet hebben beseft hoe diep en breed dit terrorisme geworteld is. Het leek niet zo moeilijk de Talibaan als regering af te zetten, maar afrekenen met hun ideologie is veel moeilijker.

In ieder conflictgebied neemt het extremisme een andere vorm aan. Dit nieuwe terrorisme berust op een volstrekte verdraaiing van het eigenlijke geloof van de islam en speelt in op een gevoel van slachtofferschap en wrok in de islamitische wereld. Velen zijn het oneens met zijn methoden, doch maar al te velen delen sommige van zijn opvattingen. Het wereldbeeld van deze nieuwe terroristen is volslagen reactionair, maar behelst verbluffend geraffineerde en strategische opvattingen over de macht van terreur in een tijdperk van globalisering.

Op dit moment dwarsboomt het terrorisme in het Midden-Oosten vooruitgang in Irak. Het belemmert de pogingen om vrede te sluiten tussen Israël en Palestina. Het doet de democratie in Libanon wankelen op de rand van de afgrond. Dat zegt al veel. Maar veel belangrijker nog is hoe de terroristen erin geslaagd zijn ons besef van wat er gebeurt, en waarom, te verdraaien. Zij hebben het voor elkaar gekregen dat wij onszelf de schuld geven.

Wij kunnen eindeloos debatteren over de vraag of het nu goed of fout is geweest om Saddam ten val te brengen. Maar het is een feit dat, als je Al-Qaeda – in Irak voor de val van Saddam – wegdenkt uit het conflict in of rond Bagdad, zonder de autobomaanslagen op burgers en de verwoesting van monumenten als het heiligdom in Samarra, het mogelijk zou zijn om rust te scheppen in de situatie. De ontwikkelingen in de provincie Anbar, waar de de publieke opinie onder de sunnieten zich langzaam maar zeker tegen Al-Qaeda keert, laten dat zien. En in Basra wordt de sfeer in de stad vergiftigd door het geweld en de criminaliteit van Jaish-al Mahdi en andere groepen die worden ondersteund, gefinancierd en bewapend door elementen van het Iraanse regime. Als je daar Al-Qaeda verdrijft en de kwaadaardige Iraanse acties weet te stoppen, zou de toestand ingrijpend veranderen.

Toch zou een groot deel, waarschijnlijk zelfs de meerderheid, van de westerse publieke opinie liever zien dat wij ons terugtrekken uit Irak. Zo verward heeft het terrorisme ons gemaakt. Wie krijgt in de Palestijnse kwestie de schuld van het gebrek aan vooruitgang? Het Westen. Wie wordt in Libanon – nóg een crisis die opzettelijk is uitgelokt door alweer dezelfde krachten – verantwoordelijk gesteld? Israël.

In Afghanistan is duidelijk dat de Talibaan steun – inclusief wapens – krijgen van, alweer, elementen van het Iraanse regime. Zij brengen het elders geleerde in praktijk. Zij denken dat als zij maar genoeg chaos aanrichten en genoeg slachtoffers maken onder de westerse militairen, wij de moed wel zullen opgeven. Dan wordt het de zoveelste ‘puinhoop’. En áls dat gebeurt, zullen de Afghaanse regering en haar westerse bondgenoten de schuld krijgen.

We hebben geen keus: overal waar deze dreiging de kop opsteekt, moeten wij haar bestrijden. Er zijn geen eisen waarover ook maar in de verste verte te praten valt. Ze moet worden verslagen.

Wij moeten onze waarden hooghouden

Met alleen militaire middelen zal het niet lukken. Het is een politieke uitdaging. Terroristen vinden nieuwe recruten met een beroep op emoties. Daar moeten wij iets beters tegenover stellen, en daarbij moeten we trots en met overtuiging onze waarden uitdragen.

Niets is bespottelijker dan ‘democratie’ of ‘vrijheid’ af te schilderen als ‘westerse’ begrippen die wij proberen op te dringen aan landen of volkeren voor wie ze wezensvreemd zijn. Misschien zijn er regeringen waarvoor ze wezensvreemd zijn. Maar geen volkeren. Wie heeft er ooit vóór een plan gestemd om de democratie af te schaffen? Wie heeft ooit de voorkeur gegeven aan de geheime politie boven vrijheid van meningsuiting?

Dit zijn universele waarden. Wij moeten de ideologie van deze extremisten zelfverzekerd aanvallen: hun reactionaire opvatting van de staat, hun weigering om mensen in vrede te laten gedijen, hun volstrekt achterlijke ideeën over vrouwen. Wij moeten niet alleen hun barbaarse, terroristische methoden veroordelen, maar ook hun zogenaamde grieven jegens het Westen op de korrel nemen. Wij moeten daarbij de gematigde, ware islam bijstaan en helpen mensen te mobiliseren. Niets is absurder dan het idee dat het uit de weg ruimen van de Talibaan in Afghanistan of van Saddam en zijn zoons in Irak en daar verkiezingen te houden onder VN-toezicht, op de een of andere manier een aanslag op de moslims zou zijn. Wij moeten erop wijzen dat degenen die terroristische moorden plegen op moslims, zelf moslims zijn, en dat hun daden volkomen in strijd zijn met de leer van de Koran.

Maar – en dit is een belangrijk maar – dit werkt alleen als je het krachtig en evenwichtig doet. Op dit punt heb ik de etiketten van links of rechts voor een bepaald beleid altijd als een belemmering ervaren. Rechts heeft gelijk als het vindt dat wij met de wapenen pal moeten staan voor de vrijheid, en links dringt terecht aan op gerechtigheid.

Denk aan de agenda van morgen

De waarde van zo’n agenda is dat hij ons in staat stelt te werken aan een gemeenschappelijke waardenstelsel van een wereld waarin zeer binnenkort de nieuwe mogendheden en belangen sterk genoeg zullen zijn om grote invloed uit te oefenen op de kant die we op gaan. Zo’n benadering biedt bescherming tegen het extremisme maar vormt tevens een beschavende factor in een toekomst waarin het economisch en politiek gewicht van het Westen kleiner zal zijn dan tot dusverre.

Wij moeten de wereld een sterk fundament geven, op basis van openlijke, evenwichtige trouw aan onze waarden, om ervoor te zorgen dat bij alle veranderingen in de wereld die waarden, universeel als ze zijn, als richtlijn worden aanvaard.

Dit is de licht bewerkte en ingekorte versie van een artikel van Blair die is gepubliceerd door The Economist. De volledige tekst is te lezen via economist. com.