Rommeligheid is goed voor de natuur

Kester Freriks herinnert zich de ‘noodzakelijke rommeligheid’ van vroeger. En houdt een pleidooi.

OUDERWETSE ROMMELIGHEID: Vervallen boerderij in de Achterhoek Foto Walter Herfst Achterhoek Gelderland juni 2007 Foto: Walter Herfst boerderijen ruines
OUDERWETSE ROMMELIGHEID: Vervallen boerderij in de Achterhoek Foto Walter Herfst Achterhoek Gelderland juni 2007 Foto: Walter Herfst boerderijen ruines Herfst, Walter

Telkens als ik door het Nederlandse landschap rijd en ik zie een vervallen boerderij of schuur met gaten in het dak, oude balken, weggewaaide dakpannen, een haveloze schutting ernaast, liefst begroeid, dan springt mijn hart op. Ja, dat zijn noodzakelijke toevluchtplaatsen voor de natuur. Hier kunnen insekten zich verbergen, vlinders verpoppen, vogels nesten bouwen en wilde bloemen zich vestigen.

Het begrip ‘rommeligheid’ duikt de laatste tijd in de discussie over de toekomst van de Nederland steeds vaker op. Rijksbouwmeester Mels Crouwel verzet zich al een tijdlang tegen de ‘verrommeling’ van de nationale ruimte.

Hiermee doelt hij op de wildgroei aan bedrijventerreinen op zogenaamde zichtlocaties, de niet te stuiten uitbreiding van dorpen en steden. Hij beschouwt Nederlandse gemeenten en architecten als een stel losgeslagen toneelspelers die een strenge regie ontberen.

Onlangs was ik in de Biesbosch, waar nieuwe geulen worden gegraven om het Rijnwater, bij eventuele hoge stand, sneller naar het Maaswater te laten stromen en dan door naar zee. De boswachter toonde mij de kaart en wees enkele boerderijen aan die moeten verdwijnen. Oude gebouwen met schuren, erven, een hoek voor de mest, een overhangende dakgoot als nestelplaats voor zwaluwen. Dakpannen, hout, bakstenen: de mooie bouwmaterialen van vroeger. Vlierbomen met insekten en vlinders als beschermende begroeiing als windvang op het erf.

Deze boerderijen moeten wijken en elders in de Biesbosch, op een zogeheten woondijk, verrijzen nieuwe bouwwerken. Ik zie ze voor me: schuren van glad staal of kunststof, waarvan de wanden zonder enige overgang uitlopen in het dak. Geen open ruimte die toegang biedt tot een hooizolder. De boerderijen zelf zullen ongetwijfeld functionele gebouwen worden. Terwijl de boswachter mij een en ander vertelde, keken we schuin uit op een oud wit huis in de polder, waarvan de uitstekende dakgoot tientallen nesten biedt aan de huiszwaluw. Verderop verrijst een oud huis boven dicht struikgewas. Bramen, brandnetels, opnieuw de vlier.

De rommeligheid waartegen Crouwel zich met recht verzet, is een andere rommeligheid waarnaar ik verlang. En ik merk dat in gesprekken over de toekomst van de ruimtelijke orde de oude rommeligheid steeds vaker terugkeert. Zo stond er jarenlang aan de weg tussen Leeuwarden en Harlingen een finaal vervallen boerderij. Hoewel ik besef dat in zo’n wrakke hoedanigheid dit huis nooit bewoond kan worden door mens of vee, riep die verschijning aan de horizon van ingestort dak en scheve muren veel fantasieën op. Eerst wil ik weten welke reden er geweest moet zijn voor de bewoners om op een dag de deur voorgoed dicht te trekken en over het erf weg van dit veilige oord te lopen.

Daarna ben ik meteen geïntrigeerd door de nieuwe, wilde bewoners van zo'n bouwval. Legioenen insekten, kerkuilen, muizen, kikkers in de vijver, duizendpoten, zilvervisjes, houtmijt. Noem maar op. Nu pleit ik er niet voor dat alle boerderijen in pittoresk deplorabele staat moeten worden omgetoverd, maar ik pleit wel voor de noodzakelijke rommeligheid van het verval, zoals je dat vroeger op het land en ook in de steden vaak tegenkwam. Dit is geen foute nostalgie. Ik vind ook dat open kerktorens en boerderijen met uileborden behoren bij die bitternoodzakelijke rommeligheid.

Soms sta ik weleens door een verrekijker naar een kerktoren te turen. Tot mijn schrik ontdek ik dat de galmgaten aan de binnenzijde zijn ‘ingegaasd’. Of dat uilenborden op boerderijen dichtgetimmerd zijn. Ik zou een pleidooi willen houden al dat gaas uit de kerktorens te verwijderen. In de prachtige vogelmonografie De Kerkuil (1983) van Johan de Jong staan trieste voorbeelden van uilen die opgesloten worden nadat de galmgaten werden afgesloten met gaas. Of uilen die hun vertrouwde nestplaats niet meer kunnen bereiken vanwege het gaas dat hen opeens de weg naar het veilige binnenste van een kerktoren verhindert.

Ook is in Nederland in nieuwbouwwijken het gebruik van vogelschroot zomaar ingevoerd. Weg ermee. Vogelschroot bestaat uit planken die aan de onderzijde van een dak worden getimmerd. Hiermee is de ruimte onder de dakpannen voor zelfs een kleine vogel als de mus onbereikbaar.

Verval is een noodzakelijke gebeurtenis in de natuur, een cruciale scène. Zoals in een bos dode bomen voor leven zorgen, zo zijn in de stad en op het land de rommeligheid van verval, bakstenen muren met gaten erin en kerktorens of boerenschuren die niet ingegaasd zijn voor levenbronnen. Geef uilen vrije toegang tot kerkspitsen en laat de onontbeerlijke rommeligheid als vanouds terugkeren in onze omgeving.