Onderzoek naar schadelijke stoffen in de voeding

In het artikel `Gezonde, maar wel lekkere voeding` (NRC Handelsblad, 2 juni) staat dat de overheid extra miljoenen geeft aan het Top Institute Food & Nutrition. Schadelijke stoffen in de voeding moeten eruit gehaald worden om het overgewichtsprobleem aan te pakken en gezonde voeding moet aantrekkelijker worden door structuur en smaak te verbeteren.

Twee vragen moeten gesteld worden voordat geknutseld zou mogen worden aan onze voeding: welke stoffen zijn schadelijk en is de toegepaste verandering werkelijk een verbetering. Beide vragen kunnen pas na langetermijnonderzoek beantwoord worden.

In 1960 was men er bijvoorbeeld van overtuigd dat verzadigde vetten ongezond waren. Deze vetten werden massaal vervangen door onverzadigde oliën met daarin het veelgeprezen linolzuur (omega-6). Een chemisch hardingsproces, waarbij de vetten veranderden in transvetten, zorgde ervoor dat de olie smeerbaar werd, waardoor roomboter vervangen kon worden door margarine. Nu, ruim 50 jaar later, weten we dat transvetten nog veel ongezonder zijn dan verzadigde vetten (die helemaal niet zo ongezond blijken te zijn), maar desondanks zitten er nog steeds transvetten in onze voeding.

Ook weten we nu dat omega-6- en omega-3-vetten in een bepaalde verhouding in onze voeding zouden moeten zitten (5:1) en dat deze verhouding inmiddels ernstig verstoord is (20:1), met nadelige gevolgen voor onze gezondheid waar geen visolie-capsule tegenop kan. Wanneer TIFN zich vooral richt op het herstellen van de margarineramp, dan juich ik de activiteiten van dit onderzoeksinstituut toe. Maar ik vrees dat over 50 jaar weer nieuwe rampen gekeerd zullen moeten worden.