Nog één keer: alles mag in de literatuur en niets moet

Joost Zwagerman constateert een hardnekkig misverstand in literaire discusies – het Möring-misverstand

MÖRING: rood voor ogen Foto Vincent Mentzel Marcel Moring,auteur. foto VINCENT MENTZEL/NRCH==F/C==Rotterdam, 21 november 2006
MÖRING: rood voor ogen Foto Vincent Mentzel Marcel Moring,auteur. foto VINCENT MENTZEL/NRCH==F/C==Rotterdam, 21 november 2006 Mentzel, Vincent

Een van de merkwaardigste literaire polemieken die ik las speelde zich de afgelopen weken af in deze krant. Het begon met een artikel van Elsbeth Etty in de Boekenbijlage van 4 mei. Etty schreef over de rol van de Tweede Wereldoorlog in de Nederlandse literatuur. Per tijdvak verandert de manier waarop en de inzet waarmee schrijvers die oorlog in hun romans verwerken. Het was een in veel opzichten voorbeeldig stuk. Etty maakte bijvoorbeeld op overtuigende wijze korte metten met de ingesleten veronderstelling dat schrijvers van de generatie Hermans-Mulisch-Reve te veel in zwart-wit tinten werkten in hun verbeelding van de oorlogsjaren. Etty constateerde verder dat voor veel hedendaagse schrijvers de Tweede Wereldoorlog niet langer een referentiepunt is. Zij schreef dat ‘de groten van nu, Grunberg en A.F.Th. (van der Heijden) voorop, schrijven over de tragedies en mythen van hun tijd.’

Dit laatste is nou niet een observatie om door van je stoel te vallen – maar schrijver Marcel Möring werd het rood voor ogen. Steen des aanstoots was voor hem die ene zin over ‘de groten van nu’ die ik net citeerde. Möring deed alsof Etty’s vaststelling een decreet was dat zij uitvaardigde. Je kan alleen maar een groot auteur zijn als je over de tragedies en mythen van je tijd schrijft – zoiets. Dat beweerde Etty helemaal niet, integendeel zelfs. Toch had Möring vier kolommen nodig om die zin te weerleggen – die hij dus verkeerd had gelezen. Hij begon Etty uit te leggen dat literatuur nooit iets moet of niet moet; dat grote schrijvers net zo goed over turfstekers uit de negentiende eeuw kunnen schrijven als over kitscherige oorlogsherinneringen. En vervolgens ontstak hij in een galmend geschimp, waarbij de termen ‘sociaal realisme’ en ‘stalinisme’ Etty om de oren vlogen. Het zal je maar gebeuren.

Elsbeth Etty, normaliter toch een polemiste die zich zonder dralen in het debat stort, reageerde lichtelijk beduusd. Dat kon ook niet anders. Want wat moet je zeggen als iemand je aanvalt op iets wat je in de verste verte niet hebt hebt beweerd? Etty’s conclusie: ‘Goede schrijvers geven er niet altijd blijk van ook goed te kunnen lezen.’

Het door Möring in het leven geroepen misverstand deed me denken aan een polemiek van meer dan twintig jaar geleden: die rond de veel gesmade eis tot ‘meer straatrumoer’ in de literatuur. Volgens zijn tegenstanders zou Ton Anbeek daar ooit om hebben geroepen. Dat misverstand is de wereld maar niet uit te krijgen, wat net zo onterecht is voor Anbeek als de woede-uitbarsting van Möring is voor Etty.

Anbeek vroeg zich in 1985 in zijn essay ‘Aanval en afstandelijkheid’ af waarom Nederlandse schrijvers zo vaak a priori de maatschappelijke actualiteit afwijzen als grondstof voor een roman. In andere landen, Amerika en Engeland volop, gebeurt dit namelijk wel. In Amerika kan en mag je net zo goed over Vietnam of over elf september als over een sprekend konijntje of een in de knop gebroken jeugd schrijven – als het maar op een literair overtuigende manier gebeurt. Weinig tegenin te brengen, zou je zeggen.

Maar dan hebben we buiten de Nederlandse literatoren gerekend. Anbeek trok het onder literaire mandarijnen gekoesterde adagium ‘wat actueel is, is geen kunst’ in twijfel. En hij citeerde daarbij de dichter A. Roland Holst, die dat adagium als volgt verwoordde: ‘Daarom is voor mij ook van levende waarde het onderscheid tussen Werkelijkheid en Actualiteit, die zich verhouden als een klare Fuga van Bach zich verhoudt tot straatrumoer.’ Waarop Anbeek voorzichtig concludeerde: een onsje straatrumoer in de literatuur – waarom zou het eigenlijk niet mogen?

Maar terwijl Anbeek zich dus afvroeg waarom iets niet mocht, draaiden zijn tegenstanders zijn uitspraak om en verweten hem dat hij beweerde dat er meer straatrumoer moest in letteren. Vorig jaar blikte ik in mijn Kellendonklezing ‘Tegen de literaire quarantaine’ terug op het misverstand dat Anbeeks artikel veroorzaakte. Ook vroeg ik me af waarom jonge schrijvers massaal afwijzend reageerden op de vraag of de moord op Theo van Gogh invloed zou kunnen hebben op de Nederlandse literatuur. Onzin, vonden die schrijvers. Ik vond dat een rare en voorbarige conclusie. Als het Noordhollandse platteland (Boven is het stil van Gerbrand Bakker), de watersnoodramp van ’53 (De verdronkenel van Margriet de Moor) en de dood van de kraker Hans Kok (Advocaat van de hanen van A.F.Th. van der Heijden) als inspiratiebron hebben gefungeerd voor de Nederlandse literatuur, waarom zou je een moord die de samenleving ontwrichtte dan a priori uitsluiten als inspiratiebron?

Oei oei, daar had ik iets Heel Ergs gezegd. Veel schrijvers en critici voelden een woedende Möring in zich opstaan en begonnen mij uit te leggen dat literatuur niets hoeft en niets moet. Alsof ik dat ook maar één moment had beweerd. Sterker, mijn pappenheimers kennende had ik het er van tevoren bij vermeld: ‘Literatuur “moet” niets. (...) Iedere roman creëert de hoogst eigen wetten waaraan die roman wil beantwoorden, en het gaat niet aan die wetten onder één noemer te brengen.’

Maar als literatuur niets moet en niets hoeft, dan mag je dus ook concluderen dat alles mag in de literatuur. Maar nee. Die inspiratie door de actualiteit, dat ‘mag’ dus niet. En zodra je je vraagtekens bij dit verbod plaatst, verdraait men je vraag tot een decreet: actualiteit moet, méér actualiteit! Vanaf nu kunnen we die omdraaiing gerust het ‘Möring-misverstand’ noemen.

Het pikante is dat juist Elsbeth Etty in de discussie omtrent ‘straatrumoer’ precies die omdraaiing toepast die zij Möring recent aanwreef. Zij schreef: ‘Al het geroep om meer straatrumoer en engagement in de literatuur heeft weinig opgeleverd. Nederlandse schrijvers laten zich nauwelijks door de actualiteit inspireren en dat is misschien maar beter ook.’ Het is een raadselachtige omkering, want Etty kan niemand noemen die feitelijk heeft geroepen om ‘meer straatrumoer in de literatuur.’

Intussen is het interessant waarom zoveel schrijvers en critici die omdraaiing onbewust toepassen – want ik ga ervan uit dat Möring en anderen vanuit oprechte verontwaardiging en niet uit kwaadaardigheid die omdraaiing toepassen. Waarom reageren zoveel schrijvers op het woord ‘straatrumoer’ als Saoedische moslimfundamentalisten op een Deense spotprent? Welke literair heiligdom wordt er volgens die schrijvers besmeurd, en waarin voelen zij zich in vredesnaam tekortgedaan? Waarom schiet Marcel Möring in een blinde woede als hij alleen maar een zin ziet over ‘mythes en tragedies van hun tijd’. Daarover zou ik graag eens een informatief en borend stuk willen lezen. Nu Elsbeth Etty in de ene discussie het slachtoffer en in het andere de dader is van die omdraaiing, kan het niet anders of zij is, als tweeledige ervaringsdeskundige, bij uitstek de persoon die dit artikel kan schrijven. Zo’n essay verklaart hopelijk het ontstaan en de hardnekkigheid van het Möring-misverstand.