‘Moeflons zijn nomaden, gestuurd door de wind’

De Kröller-Müllers haalden de moeflons naar Nederland. Nu ‘struikelt’ jachtopzichter Ruseler af en toe over de schapen met de grote horens. „Als ze wat gaan mankeren, weet je dat ze met de muziek mee moeten.”

Moeflon Foto NHPA moeflon MOUFLON Ovis musimon France Photographer: DAVE WATTS NHPA
Moeflon Foto NHPA moeflon MOUFLON Ovis musimon France Photographer: DAVE WATTS NHPA NHPA

Op een zondoorstoofde voorjaarsmiddag besluiten we op zoek te gaan naar de moeflons. Boswachter Henk Ruseler (47) rijdt in een terreinauto over rulle zandpaden naar het middengedeelte van Het Nationale Park De Hoge Veluwe, waar het leefgebied van de kortharige wilde haarschapen zich uitstrekt over een oppervlakte van vijfduizend hectare.

„Voordat dit gebied in 1935 een nationaal park werd”, zegt Ruseler, „was het privédomein van Anton Kröller. In 1921 heeft hij op zijn landgoed moeflons uitgezet die hij had overgenomen van de Groothertog van Luxemburg. Oorspronkelijk komen ze uit Sardinië en Corsica. Ze leven daar in een rotsachtig gebied waar de hoefjes slijten door het lopen op de harde bodem. Toen ze hier op een open zandterrein terechtkwamen werden ze aanvankelijk kreupel: de hoeven groeiden door met een flinke krul waardoor ze van die Turkse pantoffels kregen. Later hebben de dieren zich uitermate goed aangepast aan de nieuwe omstandigheden en nu komen die gekrulde hoeven niet meer voor.”

Behalve moeflons introduceerde Anton Kröller edelherten en wilde zwijnen, die niet alleen ter verfraaiing van het landschap dienden maar eveneens voor jachtdoeleinden werden gebruikt, want Kröller was een „gepassioneerd jager”, aldus Ruseler. „Herten en wilde zwijnen komen van oudsher voor op de Hoge Veluwe, maar voordat de Kröller-Müllers zich hier vestigden waren ze weggestroopt. Door verwoestijning was hun leefomgeving zo’n honderdvijftig jaar geleden bovendien dusdanig toegetakeld dat ze hier niet meer konden leven. Reeën waren er nog in kleine aantallen, het zijn dieren die nooit zullen uitsterven. Ze passen zich makkelijk aan en je ziet ze tot aan de randen van verstedelijkt gebied.”

Er is inmiddels bos genoeg in Nederland, zegt hij, en de kans dat je edelhert, ree en wild zwijn tegenkomt is dan ook aanzienlijk. De moeflons in het park zijn daarentegen uitzonderlijk: ze behoren tot de grootste en „meest raszuivere” populatie in Europa. De enige andere kudde moeflons in Nederland is te vinden op het Wekeromsezand, een gebied dat in beheer is van Stichting Het Geldersch Landschap en Geldersche Kastelen. „In sommige gebieden in West-Europa zijn moeflons omwille van nog grotere horens met andere schapenrassen gekruist, want hoe groter de horens hoe gewilder ze zijn als jachttrofee. Dat is bij ons nooit gebeurd.

„Nu ze hun wintervacht kwijtraken worden ze roodbruin van kleur. De rammen zijn prachtig getekend. Hun kop heeft een mooi masker in bruin, zwart en wit en ze zijn goed herkenbaar aan de grote gedraaide horens die hun hele leven doorgroeien. De ribbels op de horens zijn als de jaarringen van bomen: daaraan, in combinatie met de koptekening, is te zien hoe oud ze zijn. Bij jonge rammen zijn de ribbels dik en is er veel ruimte tussen, later worden ze dunner en zitten ze dicht op elkaar.”

Henk Ruseler, die inmiddels 26 jaar in het park werkt en woont, struinde als jongen al graag rond in de bossen en deed veel kennis en ervaring op door „heel veel te kijken”. „Ik ben opgegroeid in Schiedam, maar in de weekends en vakanties gingen we vaak naar de Veluwe en de Kroondomeinen bij Apeldoorn. Ik bouwde een heel netwerk aan contacten op met boswachters, terreinbeheerders en jachtopzichters. Eén van de jachtopzichters van de Kroondomeinen zei op een keer dat ik stage kon komen lopen, maar daar zat wel een sollicitatiegesprek aan vast met de jagermeester van Hare Majesteit de Koningin. Ik ben toen naar het kantoor van de Koninklijke Houtvesterij op Het Loo gegaan; je moest daar een statige trap op en door een enorme grote kraakdeur. De jagermeester was een deftige meneer en ik kreeg een spervuur van vragen. Voor een jongetje uit de Randstad wist ik er al aardig wat van, vond hij, en toen er een plaats vrij kwam heb ik er inderdaad een jaar stage gelopen.”

Op voordracht van de jagermeester kon Ruseler vervolgens op 21-jarige leeftijd beginnen als jacht- en faunaopzichter in Het Nationale Park De Hoge Veluwe. De laatste jaren heeft hij zich toegelegd op voorlichting en educatie. In die functie organiseert hij tegenwoordig onder meer safaritochten waarbij hij afwijkt van de gebaande paden en probeert mensen „te prikkelen” door hen op een andere manier naar de natuur te leren kijken. Er zijn bijvoorbeeld, zegt hij, heel wat bijzondere diersoorten die makkelijk over het hoofd gezien kunnen worden. Zoals de wrattenbijter. Alleen al omwille van zijn naam is het een gemis als deze sprinkhaansoort zou verdwijnen. Toch bestaan er, voor zover bekend, nog slechts twee populaties in Nederland. In een poging die te behouden zijn op De Hoge Veluwe stukjes heidegrond open geplagd zodat sprinkhaanwijfjes hun eitjes kunnen afzetten in het zand.

„Doordat wij, waar nodig, een beetje tuinieren is dit park voor veel dieren één van de laatste wijkplaatsen. Al kunnen we niet voorkomen dat bepaalde soorten erg achteruit gaan. De meeste bezoekers komen voor de grote vier: edelhert, ree, wild zwijn en moeflon. Dat gold ook voor mij toen ik hier begon – nu kan ik ook lyrisch worden als ik een boomvalk zie jagen of een lentevuurspin ontdek.”

Aan een zeldzame vogelsoort als het tapuitje is deze dag terwijl we het park doorkruisen geen gebrek – het opsporen van een kudde moeflons blijkt daarentegen geen sinecure.

„Moeflons zijn echt nomaden. Ze zwerven rond, gestuurd door de wind. Ze trekken graag tegen de wind in omdat ze het gevaar dan eerder ruiken. Op dagen met een steeds draaiende windrichting zie je ze van de ene hoek naar de andere trekken. Nu de wind uit het oosten komt heb je kans dat ze naar het Deelense Veld zijn gegaan want dat ligt aan de oostkant van het park.”

In het glooiende en met geel pijpestro beklede landschap, zinderend als een Afrikaanse savanne, valt ook met de verrekijker evenwel nergens een schaap te bekennen. Als we de zoektocht hervatten passeren we een niet meer gebruikte voederplaats. Bijvoederen, zegt hij, gebeurt tegenwoordig niet meer: er is voldoende natuurlijk voedsel en het kan weinig kwaad als een dier soms eens een schrale periode meemaakt. Dat er dieren geschoten worden is daarentegen „noodzaak”, het hoort bij de „zorgplicht” van de faunabeheerder.

„We jagen op edelhert, wild zwijn en moeflon. Ze hebben geen natuurlijke vijanden maar hun invloed op de vegetatie en andere diersoorten is zo groot dat wij kiezen voor ingrijpen. Vroeger zorgden wolf en lynx ervoor dat de stand hier niet te hoog opliep. De vraag die we ons stellen is: hoe ver gaat je invloed? Wat is het resultaat als je ingrijpt en wat is de consequentie als je het niet doet? Als er in een gebied te veel grazers zijn heb je kans dat door voedseltekort ziektes ontstaan, met als gevolg een populatiecrash. Overal zouden kadavers liggen of je zou dieren tegenkomen als wandelende gratenpakhuizen die het water uit de bek loopt – dan moet je de koppen in de kranten eens zien!

„Ik ben gek met beesten, maar toen jagen nog tot mijn taken behoorde had ik er geen moeite mee mijn eigen dier te slachten voor de pot. Met een mes fileerde ik de rugstrengen eruit en de verschillende onderdelen van de bil. Prachtig werk was dat. Ik heb nooit met tranen in mijn ogen een dier hoeven neerschieten, omdat ik wist dat het nodig was voor de populatie, al gebeurde het soms dat ik een hert schoot dat ik al lang kende. Een zwervende ziel net als ik, waar ik jaren in alle vrijheid het bos mee had gedeeld en dat ik goeiemorgen zei als ik het tegenkwam. Herten of moeflons kunnen wel een jaar of vijftien worden, maar als ze dan wat gaan mankeren weet je dat ze mee moeten met de muziek. We schieten ook jonge dieren omdat onder natuurlijke omstandigheden met grote predators hier ook de meeste slachtoffers vallen. Dat gegeven passen wij toe bij het opstellen van het afschotplan. Nu de moeflons lammetjes hebben telt de kudde ongeveer tweehonderdzeventig dieren. Na de afschotperiode zijn het er zo’n tweehonderd.”

Hoewel er maanden zijn, aldus Henk Ruseler, dat je over ze ‘struikelt’, kun je ook uren in het park doorbrengen zonder een moeflon tegen te komen, zo moeten we aan het eind van de dag na een speurtocht concluderen. Tijdens een nieuwe poging twee weken later rijden we naar de Franse Berg: een twintig meter hoge stuifduin op de Hoge Veluwe, in 1930 door Helene Kröller-Müller uitgezocht als laatste rustplaats voor zichzelf en haar echtgenoot. Het plateau biedt een weids uitzicht over een vlakte waar de kudde regelmatig rondzwerft – alleen ditmaal toevallig niet.

En dan, plotseling, zien we ze toch nog: eerst een tiental ooien, lammeren en een enkele ram, onbekommerd grazend in de avondzon te midden van een roedel herten; later, aan de rand van een heideveld op vierhonderd meter afstand van het publiek dat zich met kijkers langs de weg heeft verzameld, zo’n honderd moeflons. Ruseler: „Kijk eens wat een kudde, het is net alsof ze uit de grond komen. Ze hebben een onbezorgd leventje hoor. Er komen hier ruim vijfhonderdduizend bezoekers per jaar, maar de dieren hebben daar geen last van. Ze kunnen hier in het wild leven. Als wij honderd meter naar voren zouden lopen zie je ze hun koppen oprichten en gaan ze weg.”

Als we terugrijden wijst hij op een heuveltje met de afdrukken van vele hoefjes in het omgewoelde zand. Het is een plek, zegt hij, waar de moeflons hebben gespeeld en gelegen. Er is daardoor een minibiotoop ontstaan voor zandhagedissen en vogels. Een uitgelezen plek bovendien voor de eitjes van de wrattenbijter.

Dit is de laatste aflevering van de serie ‘Mens over dier’.