Met Berbers heb je altijd gedonder

Wangedrag door Marokkaanse jongeren verklaren uit sociaal-economische motieven is de halve waarheid. Ook de cultuur van Berbers is een probleem. Zegt een Berber.

Mohammed Benzakour

Schrijver en columnist.

Het is goed nu en dan afstand te nemen van datgene waar je dag in dag uit met je neus bovenop zit. Distantie schept overzicht en, in het gunstige geval, ook enig inzicht. Dat is een van de redenen waarom ik besloot een poosje rond te neuzen in een gebied waar de meeste Marokkanen in Nederland vandaan komen alsook hun zomervakanties doorbrengen: het Berberse Rifgebied in Noord-Marokko.

Nu was mij het volgende al bekend, maar ik kan het nu zelfs staven: van het Berbervolk kun je een hoop zeggen (trots, hardwerkend, ascetisch, humoristisch, poëtisch) maar één ding niet: dat het lieverdjes zijn. Berbers zijn grosso modo een tamelijk heetgebakerd, anarchistisch volkje – en dit zeg ik, zelf Berber van origine, met stelligheid en zonder vreeze.

Eén verkeerde opmerking of blik, en je kan de schuttingswind van voren verwachten, in het ongelukkige geval gevolgd door een vuistslag of, nog ongelukkiger, een messteek. De alledaagse straattaal, vaak op luidruchtige wijze, is doorspekt met de meest vunzige machowoorden, welke ik niet zal concretiseren op deze plek. Tal van publieksrijke aangelegenheden, of het nu een cultureel festival betreft, een drukke vismarkt, muziekconcert, taxistandplaats, voetbalwedstrijd, bruiloft – ze gaan steevast gepaard met een rits ruzies of knokpartijen waarbij de boel dikwijls, al dan niet in gedrogeerde toestand, kort en klein wordt geslagen. Het hoofdhaar is al kort, de lontjes zo niet nog korter; een ogenschijnlijk jolly good time kan om het geringste omslaan in een explosief atmosfeertje. Zelfbeheersing is voor velen een teken van zwakte en daarom zo schaars als regen in de julimaand. Politie en justitie – standaard van Arabische huize – vreest men nauwelijks, al was het maar omdat deze autoriteiten alle gezag reeds lang hebben verloren daar hun optreden niet zo zeer met de wettelijke orde te maken heeft alswel met de portemonnee van de burgerman in kwestie.

Nu, de overheid geeft het goede voorbeeld, en in consequentie krijgt elke overheid het volk die het verdient. Hetgeen in dit gebied hierop neerkomt: een volk dat bepaald niet blaakt van verantwoordelijkheidszin en minimaal oog heeft voor het algemeen belang. Althans, minimaal voor zover het niet de eigen omgeving betreft. De eigen familie en directe woonomgeving wordt een nogal heilige status toegedicht en om die reden met grote zorg en alertheid bewaakt. Evenzeer de buurtmoskee en sacrale graftomben, ook deze kunnen rekenen op gemeenschappelijke zorg en onderhoud. Maar daar houdt het ongeveer op. Want erbuiten heerst anarchie, chaos en een diep doorleefde achterdocht jegens alles en iedereen. Pure, onvoorwaardelijke vriendschappen zijn luchtkastelen, evenals de liefde, waar alle liedjes over gaan. Als islam praxis en welvoeglijkheid betekent is Allah op sterven na dood. De dingen buiten het eigen tuinmuurtje, de dieren, de natuur, het publieke domein, andermans bezit of waar(dig)heden, ze genieten geen of weinig respect. Ieder voor zich, God voor ons allen – het had zomaar een Riffijns credo kunnen zijn.

Onlangs, gedurende de wedstrijd Jong Oranje-Jong Marokko in Tilburg, zorgden de Marokkaanse supporters voor grote rellen – terwijl ze nota bene de match wonnen! Prettige bijkomstigheid was dat de Nederlandse politie lang niet zo hard mept als de Marokkaanse. Om te huilen natuurlijk, zeker als men beseft dat de meerderheid van de oppassende Marokkanen erop wordt aangekeken.

Echter, toen de KNVB zich verstoutte te spreken van wangedrag van ‘Marokkaanse jongeren’ sprongen vele ongediplomeerde allochtonologen en andere (gesubsideerde) inktmorsers Pavloviaans overeind. ‘Hoho, dit zijn geen Marokkaanse jongens, dit zijn gewoon Nederlandse jongens, want ze zijn in Nederland opgevoed en de meesten zelfs hier geboren’. Steevast gevolgd door uiteenzettingen over achterstanden, onvrede, racisme en, onvermijdelijk, Geert Wilders.

Dat laatste kan best waar zijn, maar het eerste hoort thuis in de allochtone fabeltjeskrant; fabeltjes waar we geen millimeter mee opschieten. Vanzelfsprekend, en ik zeg dit met nadruk, ontmoette ik talloze Berbers van een hoog onderwijs- en beschavingspeil; Berbers die zich kwaad maken en zich doodschamen voor hun rotte appels in Marokko én Nederland.

Omgekeerd is het hoegenaamd een statistisch Nederlands feit dat deze rotte appels disproportioneel vaak van Berberse origine zijn. Dit moeten we onder ogen willen zien. Want laat dit gezegd zijn: wat ik in dit Rifgebied in nog geen twee maanden aan bonje, kift en ander non-verbaal vuurwerk heb meegemaakt, heb ik in geen dertig jaar tussen de Nederlanders beleefd. Terwijl Wilders in geen velden of wegen te bekennen is.

Alle wangedrag verklaren uit sociaal-economische motieven is de halve waarheid. Ik vrees, met pijn in ’t hart, te moeten bekennen dat het rellerige, respectloze gedrag in Tilburg tot op zekere hoogte terug te voeren is tot een cultureel element – in al z’n historische en economische gelaagdheden. Hoe precies, laat ik graag aan gediplomeerden over.

    • Mohammed Benzakour