Kaviaar

Renners die zich vanwege blessures, schorsing of ander onheil niet kunnen uitleven op de fiets zijn zoals Anna Enquist: ze hebben moeite met de lente. Ze kunnen niet tegen het overdreven uitbotten van al die bomen die uit gaan lopen. Alleen op de fiets willen ze leven delen.

Renners die over de top zijn, hebben het nog moeilijker met zichzelf. Of ze gaan aan de drank, of ze worden depressief. Vaak in combinatie. Het is ze niet aan te zien, maar wielrenners hebben een fragiel hoofd. Te veel tijd om na te denken in de koers, ook in de Tour of tijdens een klassieker. Nadenken is slecht voor de benen, en nog slechter voor het zelfvertrouwen. Met die inferieure ballingschap komen ze uiteindelijk in een wreed soort isolement terecht, worden ze onbereikbaar voor vader en moeder, vriend en vijand.

Zo geschiedde met Frank Vandenbroucke. De renner probeerde deze week zelfmoord te plegen. De sportpsycholoog die de voorbije dagen nog contact met hem had gehad zei: „Het ging heel slecht met Frank. In zijn hoofd was hij helemaal alleen.”

Begin maart was Vandenbroucke nog euforisch over de toekomst. Voor een droevig einde als dat van Marco Pantani of de Spaanse klimmer José Maria Jimenez hoefde niemand te vrezen. Zei hij triomfantelijk. VdB wist wel zeker dat hij terug zou komen aan de top. Een operatie had hem van knieproblemen verlost, en tussen hem en zijn vrouw ging het weer goed. Het wederoptreden in de Ronde van de Abruzzen zou een feest worden.

Het werd een lijdensweg. Vandenbroucke moest zich vervolgens afmelden voor de Giro, waarin hij zo gehoopt had nog eens ouderwets te excelleren. Toen werd het stil rond de nog immer jonge god van 32. Tot La Gazzetta met het bericht kwam dat de renner van Acqua & Sapone geprobeerd had zichzelf van het leven te beroven.

Het was toch nog een schok.

Zijn leven was al langer een puinhoop, zijn carrière ook. Dat wisten alle insiders. Na 1999, toen hij met een spectaculaire solo Luik-Bastenaken-Luik won, sukkelde de grootste Belgische belofte sinds Eddy Merckx van het ene malheur in het andere dopingschandaal. Met als dieptepunt de dopingaffaire van 2002 toen bij hem thuis, op het nachtkastje, epo, morfine en clenbuterol werden gevonden. Vandenbroucke verloor er zijn humor niet bij: hij plaatste de spierversterker clenbuterol in het perspectief van een gezellige oude dag voor zijn hond. Jammer maar helaas: verbeelding leidt niet meer naar verschoning, in het hedendaagse wielrennen.

In de jaren die volgden was VdB nog altijd VdB: James Dean-achtig, gezegend met flair en gratie. En met een grote bek. Hij bleef maar herhalen dat hij nog klassiekers zou winnen, en misschien wel de Tour. De ploegleiders dachten er ook zo over, ze stonden in de rij voor de gevallen engel. Van Cofidis naar Quickstep, van Fassa Bortolo naar Unibet, en nu dan in het Mekka van het wielrennen, bij Acqua & Sapone.

In 2004 dreigde hij met een eerste zelfmoord, als zijn vrouw Sarah Pinacci, hem zou verlaten. Vandenbroucke had de karabijn al in de hand toen de politie ingreep. Het huwelijk bleef rammelen, tot Sarah twee weken geleden definitief de deur achter zich dichtsloeg. Vrouw en dochtertje weg: dat kon het hoofd van de wankelmoedige niet meer hebben.

Ik blijf van Frank Vandenbroucke houden. Van zijn zelfbedachte megalomanie, van zijn eenzaamheid, van zijn broze kermis. Ooit aten we samen in een restaurant, in het West-Vlaamse dodenland. Manager Patrick Lefevere at mee. Vandenbroucke koos de wijn: een wijn van het geboortejaar van zijn vader. Duurder kon niet. Hij wou ook kaviaar eten. Kom daar maar eens om bij Joop Zoetemelk.

Kaviaar met karnemelk.

Frank was van een ander proletendom dan het peloton. Dadaïstischer in gemoed, haar en baard dan Salvador Dalí. Masseerolie bleef ruisen. Zo sprak hij ook, op momenten van zijn artistieke zijn: masseerolie als maîtresse.

Kun je dan nog boos worden op een mens? Frank Vandenbroucke was een jongen om te zoenen. Open, kwetsbaar, nederig in de grootspraak. Wellicht is hij te weinig gezoend, te weinig gestreeld in zijn ijdelheid. En dus gaat hij dood, eerder vroeg dan laat. Allicht in een shabby hotel à la Marco Pantani. Maar ik zou graag nog één keer met hem kaviaar willen eten. Nu dan op kosten van een ploegleider. Op kosten van geregistreerde gekte.