Jansons diept eigenheid Wagemans mooi uit

Concert: K. Concertgebouworkest o.l.v. Mariss Jansons. Gehoord: 7/6 Concertgebouw, Amsterdam. Radio 4: 10/6, 14.15 uur.

Vrienden waren ze, dirigent Mariss Jansons en de onlangs overleden cellist Mstislav Rostropovitsj. Om de „onvervangbare Slava” postuum te eren droeg Jansons donderdagavond zijn concert met het Concertgebouworkest aan hem op. Maar verder liet Jansons zich juist in dit concert níet van zijn meest Slavische kant zien en leidde hij voor het eerst een werk van een Nederlands componist: Moloch (2000) van Peter-Jan Wagemans.

Wagemans presenteerde Jansons een aantrekkelijk visitekaartje van de Nederlandse muziek, want Moloch is een stuk dat eigenheid paart aan charme, karakter en toegankelijkheid. Jansons diepte de contrasten en subtiel kantelende grenzen tussen lieflijk getinkel en daarachter opduikende boosaardigheden mooi uit.

Wagemans’ symfonische timbreverkenningen boden ook een doordachte programmaparallel met Hindemiths Symfonische metamorfosen – een vierluik dat de geparafraseerde thema’s van Carl Maria Von Weber anders kleurt, maar vervolgens niet echt op een beklijvende manier ontwikkelt.

Jansons’ kracht is dat hij door zijn gevoel voor helderheid en sfeer ook hier boeit, maar het subtieler spel met kleur in Dutilleuxs Vioolconcert L’arbre des songes (De dromenboom) was van een andere orde. Jansons werd daarbij geholpen door de als een tweede dirigent solerende Dmitri Sitkovetski, die voortdurend alert was op een optimale communicatie tussen zijn virtuoze lijnen en het orkest. Sitkovetski is daarmee uitstekend getypecast voor dit concert, waarin inderdaad alles als een droomboom organisch groeit en vloeit.

Stravinsky’s Vuurvogel-suite bood daarna precies het expliciete en programmatische spektakel waarnaar het product van de drie voorafgaande stukken deed verlangen: bloedstollend spannend vanaf de eerste basinzet, met ongemeen felle zweepslagen in een briljante, ritmisch messcherpe helledans en een breed uitgemeten finale.