In de jeugdzorg noemt iedereen zich regisseur en dus is niemand verantwoordelijk

Niet alleen managers, ook professionals produceren protocollen en wachtlijsten, ontdekt Maarten Huygen.

Problemen kunnen worden opgelost maar aan ‘problematiek’ valt geld te verdienen. Die kan namelijk nooit worden opgelost. Vandaar dat het woord ‘problematiek’ vaak valt in de sociale sector die daarvan moet leven. Hulpverleners lossen niets op maar ‘werken oplossingsgericht’. Dat verklaart de titel van een nationaal forum voor hulpverleners in de jeugdzorg dat ik in Amsterdam bijwoonde: ‘Integrale hulpverlening en oplossingsgerichte besluiten’.

Inderdaad, veel hulpverleners zitten integraal aan een tafel met plastic bekertjes koffie en zakjes melkpoeder en suiker te overleggen over stappenplannen richting de problematiek van een kind. Rapporten worden doorgenomen, protocollen doorlopen. Iedereen moet erbij zitten, want de vele hulpprofessies mogen niet langs elkaar heen werken. Vooral dat gebrek aan overleg en samenwerking, niet het uitdijende aantal specialismen wordt als oorzaak van de ellende in de jeugdzorg gezien.

Gouda en Waddinxveen hebben zelfs een Meerpartijenoverleg opgezet over kinderen met problemen, waarin iedere betrokkene wordt gekend, hoorde ik in een lezing van een trotse hulpverleenster. Voor elk probleemkind komen een interne begeleider, een leerkracht, een leerplichtambtenaar, een jeugdzorghulpverlener, een jeugdarts, een vertegenwoordiger van de geestelijke gezondheidszorg, een maatschappelijke werker en nog zowat gezamenlijk tot ‘een stuk aanbod’.

Wat ik miste in de enthousiaste voordracht was het effect op de betrokken kinderen. Heeft vergroting van de vergadertafel de probleemburgertjes van Gouda en Waddinxveen beter gemaakt? Toen ik die waslijst van functionarissen hoorde, van wie een aantal in deeltijd werkt, zich ziek meldt of lange vakanties opneemt, kon ik me voorstellen waarom de wachtlijsten voor de jeugdzorg overal langer worden en waarom de Amsterdamse burgemeester Job Cohen vorige week pleitte voor de bevoegdheid om zelf bij noodsituaties in gezinnen in te grijpen. De burgemeester mag ook geestelijk gestoorden laten opnemen, dus waarom niet kinderen in nood uit huis plaatsen? Ergens houdt het doorverwijzen op. Niet alleen het belang van het minderjarige straatschoffie is in het geding maar ook dat van de buurt die hij ongestraft kan terroriseren.

In de jeugdzorg, waar de justitiële Raad van Kinderbescherming en de gezinszorg bij elkaar zitten voert iedereen de regie, dus is niemand verantwoordelijk. Een gezin met drie kinderen kan drie gezinsvoogden en twaalf casemanagers hebben, want zo heet een hulpverlener tegenwoordig. Totaal zijn dat vijftien zelfbenoemde regisseurs die ook weer andere hulpverleners coördineren. In de Amsterdamse wijk Slotervaart was een geval van een alleenstaande moeder zonder baan met negen kinderen van twee mannen. De kinderen maakten de buurt onveilig. Wel 35 gesubsidieerde hulpverleners die elkaar vaak niet eens kenden, waren oplossingsgericht bezig aan de problematiek. Ik hoorde van een zwerfjongere met nog een hoger record: 100 verschillende hulpverleners in één jaar. Er eten te veel vliegen van het aas.

Onthullend was de uiteenzetting van Giel Hutschemaekers, hoogleraar in de geestelijke gezondheidszorg aan de Universiteit van Nijmegen. Hij schilderde de noodlottige gevolgen van de professionalisering en bundeling van de Geestelijke GezondheidsZorg, de GGZ. Daar werd al in de jaren vijftig een gebrek aan samenwerking geconstateerd. Toen begonnen al de eerste stappen tot integratie tussen gestichten, sociaal-psychiatrische diensten, onderwijshulpinstellingen en de gezinszorg. In 1980 ontstonden de grote Riaggs voor ambulante zorg en daarna gingen ook die nog eens fuseren met psychiatrische ziekenhuizen. In zo’n grootschalige opzet konden alle specialismen aan bod komen na grondige selectie vooraf. Maar het was te goed geregeld. De bevolking werd er geestelijk niet gezonder op. Vanaf 1980 explodeerde het aantal patiënten van 28 tot 100 per 1.000 inwoners. Het aantal verrichtingen per cliënt en de behandelduur stegen ook. En de wachtlijsten werden langer. De huisarts deed er steeds minder aan. Niemand stak nog een vinger uit naar een patiënt, want daar was het GGZ toch voor? Maar het personeel van het GGZ kan de zorg weer verder uitsplitsen naar anderen die nog deskundiger zijn. Als reactie op de ontevredenheid van cliënten ontstaan meer overlegprocedures, meer protocollen, grondiger kwaliteitsborgen, nog langere wachtlijsten en nog meer ontevredenheid.

De jeugdzorg dreigt dit voorbeeld te volgen. Vijftien regisseurs wisselen rapporten uit en stellen hun gecompliceerde vergaderrooster voor de komende maand vast, terwijl een cliëntje van tweeënhalf ’s nachts om 11 uur in een luier over straat scharrelt of een jongen van vijftien bejaarden bij de pinautomaat berooft. Maar de moeder heeft nog niet de volgens het protocol vereiste hulpvraag geformuleerd, zodat ze niet kan worden behandeld.

De centra voor jeugd en gezin die de nieuwe minister van Jeugd en Gezin extra wil oprichten, kunnen dit niet verhelpen. Die zijn goed voor mensen die zelf hulp kunnen aanvragen maar niet voor zwakbegaafde ouders die niet opmerken dat hun veertienjarige de meisjes in de buurt belaagt.

Dan heb ik meer vertrouwen in de ‘krachtige professional’ van de Vroegtijdige Interventie in Gezinnen. Mike Heuves, een sociaal werker met cowboylaarzen legde uit hoe het werkt. Een dergelijke gezinscoach dwingt ouders op straffe van een korting op de uitkering of uitzetting door de woningbouwvereniging om mee te werken. De gezinscoach doet alle vijftien kluivende gezinsregisseurs verschrikt opfladderen en neemt zelf de volle verantwoordelijkheid. Werk zoeken door de cliënt, de schuld van 75.000 euro voor 22 mobiele telefoonabonnementen afbetalen, kind naar school sturen, flat opknappen. Coaches mogen in hun vrije tijd worden gestoord, want juist dan kunnen de grootste ongelukken gebeuren. Als ik moet kiezen tussen een burgemeester die de eindverantwoordelijkheid opeist of een minister die een kindertop organiseert en nog een nieuw centrum voor hulpverleners wil oprichten, dan weet ik het wel. ‘Samen’ kan funest zijn, zeker in de jeugdzorg.