‘Ik heb vaak medelijden met ze’

Farida (39) moet er niet aan denken dat haar dochter op een dag met een moslim trouwt en gesluierd over straat gaat. „Ik zou elke dag huilen.” Ze zou niet, zoals haar eigen moeder deed toen Farida met een Nederlandse man trouwde, jarenlang weigeren om haar te zien.

In de zomer van 1986 zat Farida drie dagen in de gevangenis in Marokko, samen met haar twee broers. Dat had haar vader geregeld. Die vond dat zijn kinderen in Nederland een grote mond hadden gekregen. En Farida zou wel een Nederlands vriendje hebben, dus was ze een ‘jodin’. Zo noemen Marokkanen christenen. Toen ze uit de gevangenis kwam, zei haar moeder dat er een neef was die met haar wilde trouwen. „Dan waren de praatjes over. Ik zei: ‘Dat is goed.’ Ik dacht: als ik hier maar weg ben.”

Farida woont nu in een rijtjeshuis in een dorp in de Noordoostpolder. Ze heeft vier kinderen. Haar man werkt in de bouw. Ze wil niet met haar achternaam in de krant omdat ze denkt dat er in de Marokkaanse gemeenschap dan opnieuw over haar geroddeld zal worden. Ze ziet haar moeder nu weer. Ze wil niet dat haar familie het weer moeilijk krijgt door haar.

Farida wilde niet met haar neef samenwonen. Ze vroeg een scheiding aan. Ze werkte in een visfabriek en ze was verliefd geworden op de man met wie ze later trouwde. Pas na de dood van hun zoontje van tweeënhalf, nu dertien jaar geleden, praatte Farida weer met haar moeder. „Toen zag ze dat ik echt christen was geworden. Ze zei: ‘Dat doe je omdat je man je dwingt.’ Ik had mijn kinderen geen Arabische namen gegeven. Ze zei: ‘Schaam jij je soms voor de Marokkaanse cultuur?’”

Farida was op haar dertiende naar Nederland gekomen, met haar moeder en drie broers. Haar vader werkte al heel lang in Nederland. Ze kende hem alleen van de vakanties. Na een paar jaar scheidden haar ouders, haar vader ging terug naar Marokko.

Farida deed de huishoudschool. Ze was moslim, zegt ze, maar ze geloofde niet dat de man de baas was over de vrouw, zoals in de Koran stond. „Ik dacht: het kan toch niet dat God de man als prins heeft geschapen en de vrouw als dienstmeisje?”

Haar tweede man was gereformeerd. Ze trouwden niet in de kerk omdat Farida er nog niet van overtuigd was dat ze christen was. Die overtuiging kwam pas na de dood van haar zoontje. „Ik heb veel gebeden. God heeft me de kracht gegeven om door te gaan.”

Haar oudste broer wil niks meer met Farida te maken hebben. Een andere broer overleed, tegelijk met zijn vrouw. Farida en haar man zorgen nu voor het dochtertje van die broer. Het meisje heeft een hersenbeschadiging. Haar zussen in Marokko en haar moeder hebben er respect voor dat ze dat doet, zegt ze. „Niemand wilde haar hebben.”

Door dat meisje, dat leed aan angstaanvallen, kwamen Farida en haar man bij de Pinkstergemeente. De voorganger van die gemeente zag op straat dat het meisje een aanval kreeg. In de kerk gaven ‘de oudsten’ het kind een zalving, ze deden een gebed en een handoplegging. Twee weken later, zegt Farida, was het meisje genezen. „Dat is onze getuigenis.”

Farida weet niet of ze het goed vindt dat er een comité voor ex-moslims komt. Zij heeft haar gezin, de kerk. En een keer in de drie maanden gaat ze naar een bijeenkomst van de stichting Evangelie & Moslims in Amersfoort. Daar komen zo’n veertig christenen die eerst moslim waren. „Ik vind het heerlijk om daar tussen te zitten”, zegt Farida. „Ik denk dat ik onbewust toch mijn familie mis.” Daar hoort ze niet meer echt bij. „Het is niet meer zoals vroeger. Dat is kapot.” Vroeger, zegt ze ook, werd ze kwaad als ze ‘jodin’ werd genoemd. Nu niet meer. „Ik ben er trots op.”

Met andere Marokkanen gaat ze weinig om. „Ik heb vaak medelijden met ze. Omdat ze zich zo vasthouden aan hun eigen cultuur: al die wetten, alle kleine dingen die ze altijd maar moeten. Ik denk: ‘Laat het toch los’.”