Een koordje om je pols

Op Sri Lanka regelt de gids een ontmoeting met de allerhoogste boeddhistische monnik.

Jaar in jaar uit rijdt Gunèh toeristen langs de bezienswaardigheden van Sri Lanka. Omdat wij liever de bevolking ontmoeten dan medetoeristen, vragen we hem van zijn gebruikelijke route af te wijken. Met tegenzin stemt hij toe. We houden het er maar op dat hij het gewoon lastig vindt. Wat er werkelijk aan de hand is, beseffen we pas als we in de verte een oploopje zien bij een bus en Gunèh snel rechtsomkeert maakt. Buiten hun vertrouwde traject lopen de chauffeurs het risico dat ze verzeild raken in vijandelijkheden tussen de Tamil Tigers en het Singalese leger. Daar komt voor Gunèh nog bij dat hij erg donker is voor een Singalees en regelmatig voor een Tamil wordt aangezien.

We voelen ons schuldig en overleggen wat ons te doen staat. Gunèh is ons voor. Hij biedt aan ons naar tempels en kloosters te brengen die niet ver van de route liggen en waar volgens hem nooit toeristen komen. Nog dezelfde dag hebben we contact met monniken in de bekende oranje gewaden. We maken grapjes met kleine monnikjes, jochies nog. Ook de ‘lady monks’, zoals Gunèh de boeddhistische nonnen noemt, hebben ons hart gestolen. Net als de mannen hebben ze kaalgeschoren hoofden, maar beide schouders en armen zijn kuis bedekt. Gerarda mag een blad plukken van de heilige Bodhi-boom, de boom waaronder de Boeddha op aarde de verlichting vond.

In de stad Kandy, waar een tand van de Boeddha vereerd wordt, zitten we weer tussen de toeristen. Onze chauffeur wijst ons op een show van vuurdansers. We bewonderen dappere jongemannen die blootsvoets over gloeiende kolen lopen om, zoals in de folder staat ‘met de betoverende kracht van het vuur de duivels te bestrijden die de mensheid bedreigen.’

Gunèh krijgt het waarachtig voor elkaar dat de allerhoogste boeddhistische monnik van het eiland ons in audiëntie ontvangt. Blijkens een foto waarop hij naast de paus staat, is Kandakkulame Dharmakirti Thera voorstander van interreligieuze uitwisseling – niet toevallig ook het stokpaardje van Gunèh. We zitten op onze knieën, de handen devoot gevouwen. In wolken wierook en onder mantragezang knoopt de hoogeerwaarde heer ons een oranje koordje om de rechterpols voor een goede reis en een behouden thuiskomst. We storten een bijdrage voor de instandhouding van het klooster, of liever: Gunèh doet dit voor ons. Hij is niet kinderachtig. Met een routinegebaar plukt hij de grootste bankbiljetten uit mijn portemonnee en legt ze in een heilig boek, dat hij vervolgens resoluut dichtklapt.

Gunèh kent nog een heilige man. In Bandarawela woont Harry Haas, landgenoot en uitgetreden priester. Haas leidt een ecotoeristische organisatie en schrijft verhaaltjes waarin hij bijvoorbeeld betoogt dat Jezus rook zoals alleen het lam Gods kan ruiken. Net als Gunèh vindt hij dat alle religies op hetzelfde neerkomen. Harry Haas is boos op de paus, die op dit punt dwarsligt.

We krijgen een brief van hem mee voor een vriend die abt is van een boeddhistisch klooster in de bergen. ‘Olande Ananda’ blijkt ook al een Nederlander te zijn. Hij heet Ruud Hammelburg en is afkomstig uit Hilversum. Het is een boom van een man. In lotuszit neemt hij het eten dat de dorpelingen hem komen brengen in ontvangst. Wij zijn niet de eerste landgenoten die hem weten te vinden. Onlangs kwam een busje boven. Hij hoorde de reisleider roepen: „U hebt hier precies een kwartier.” „Ik word nog eens een attractie”, voorspelt hij met een ironisch lachje.

In het vliegtuig zit Gerarda stilletjes voor zich uit te staren.

„Waar zit je aan te denken?”

„De paus. Dat die man zo eigenwijs is.”

(Harry Haas is overleden en Ruud Hammelburg geniet inmiddels alom in Sri Lanka bekendheid dankzij zijn meditaties op de staatstelevisie)