Dromen van Connie Palmen

Eindelijk verschijnt de debuutroman van Ien Hartman. „Iemand schreef dat het hem aan Carmiggelt deed denken!”

Ien Hartman leest voor uit eigen werk Foto Michiel van Erp
Ien Hartman leest voor uit eigen werk Foto Michiel van Erp Erp, Michiel van

‘Je komt toch wel ?” Ien Hartman (61) belt me opgewonden op. Over een paar dagen wordt haar debuutroman gelanceerd. ‘Kijk Mij Eens’ heeft Ien haar boek genoemd. „Of het literatuur is? Dat ga je toch niet over jezelf beweren?” Ien schrijft al een jaar of twintig – gewoon voor zichzelf – dit boek bevat de hoogtepunten van de probeersels uit die periode. „Schat, je begrijpt toch wel dat ik hier thuis sta te shaken op mijn benen?”

De eerste keer dat ik Ien ontmoette was tien jaar geleden. Ik maakte een documentaire over een familie uit Schiedam die stapelgek was op katten. Er liepen er een stuk of dertig rond in hun Schiedamse bovenwoning.

De katten van de familie deden regelmatig mee aan tentoonstellingen en wedstrijden en daar liep Ien ook rond, als opvallend flamboyant jurylid. „De mensen hier zien me alleen als kattendeskundige, maar eigenlijk heb ik iets heel anders in mijn mars”, zei ze toen. „Kunnen we niet eens afspreken?”

Een paar weken later zat ik, met een poes op schoot, in haar keuken en daar droeg ze vol verve een paar zelfgeschreven gedichten voor. Want schrijven bleek haar grote passie. „De mensen in mijn omgeving begrijpen me vaak niet. Denk je dat die ooit een boek lezen?” Nu, tien jaar later, staat Ien op de cover van haar eerste boek. „Als kind stond ik dagenlang ondersteboven op de stoep. Handen op de grond en benen tegen de gevel. Gewoon om anders naar de wereld te kijken, mijn eigen verhaal te maken. Toen moet mijn schrijverschap begonnen zijn.” Meisjesachtig en verleidelijk staart Ien vanaf de voorkant naar haar lezerspubliek. De verhalen gaan over de mensen uit haar omgeving. „Ik heb ze als inspiratiebron gebruikt, maar ben natuurlijk wel door gaan boetseren. Mensen vragen me vaak waarom ik dingen zie die zij niet zien. Als je het grijs van de oppervlakte het juiste licht geeft, begint die opvallend te kleuren. Dat is schrijven.”

Op de boekpresentatie in Schiedam is het behoorlijk druk. Geen bekende mensen uit het literaire circuit, wel veel middelbare dames met fel geverfd haar, rode lippen en wulpse jurken. Ien is de eerste schrijfster in hun midden en dat willen ze graag vieren.

„Heeft ze nou wat aan haar ogen laten doen?”, mompelt iemand. „Dat hoort er nou eenmaal bij als je beroemd wil worden.” Ien beent heen en weer. Ze lacht hard in wapperende witte kleding. „Ik heb al hele goede kritieken gekregen. Iemand schreef zelfs dat het hem aan Carmiggelt deed denken! Dat me dat zomaar overkomt ! Schat, ik kromp ineen toen ik het las. Mijn werk is natuurlijk veel eigentijdser, hè.” De bezoekers hangen aan Iens lippen. „Je hebt toch niet over mij geschreven, hè?” Sommigen hopen dat ze in haar boek voor zullen komen. „Is Ien niet gewoon camp?”, vraagt een journalist aan een nichtje. „Mijn tante houdt helemaal niet van kamperen”, is het antwoord.

„Lieve mama, wij zijn allemaal erg trots op je. We hebben jarenlang tegen je gezegd: schrijf die verhalen nou eens op! En nu heb je het gedaan.” Ien kijkt ontroerd naar haar dochter. „Ik en de rest van de familie zullen er alles aan doen om er voor te zorgen dat het boek goed verkocht zal worden!”

Ien heeft haar verhalen opgebouwd uit echte observaties, aangevuld met fantasie. Bang om beschuldigd te worden van het misbruiken van de mensen om haar heen – zoals Connie Palmen dat is overkomen – is ze niet. „Ik heb mijn fantasie natuurlijk wel in de hand. Het moet geen onzin worden.” Ooit verscheen Connie Palmen in een droom van Ien. „Ik was bij haar thuis en ze zat achter haar bureau. Ze had een bontjas aan. Ze tuurde in een stapel dikke boeken en schreef af en toe wat op. Ze was met een studie bezig, aan het werken aan een nieuw en belangrijk meesterwerk.” Het was de eerste keer dat Ien droomde van de schrijfster. „Oh, mag ik alstublieft van u weten hoe u dat met schrijven doet mevrouw?”, vroeg Ien verlegen. „Nee, nee”, antwoordde Connie resoluut. „Ik ben geen mevrouw, ik heet Connie.” Ze bood Ien een glas wijn aan en een sigaret. Alsof ze vriendinnen waren. „Dat je dat durft te dragen, die bontjas”, vroeg Ien in een opwelling. Connie had alleen maar gelachen. De droom had geen clou maar dat is niet erg. „Die vrouw is zo wijs, die heeft gestudeerd.”

Ien zit achter een grote tafel haar boek te signeren. Ze tuurt door de ruimte en zwaait. Haar familieleden staan in de rij. De meeste kopen, zoals beloofd, een paar exemplaren tegelijk. De uitgever kijkt tevreden. Ien signeert routineus. „Wil je weten hoe ik me voel? Alsof ik naakt buiten ben gezet.”