De onderklasse van schoolboeken

Jaren geleden maakte ik een overzicht van het werk van Harry Mulisch. In de vroege jaren zeventig had hij wat in Avenue geschreven. Ik dacht het origineel makkelijk op te kunnen vragen, maar dat bleek helemaal niet zo te zijn. Juist populaire bladen met een hoge oplage blijken op een enkel exemplaar na van de aarde verdwenen te zijn. Avenue wordt gelukkig nog in Den Haag op de Koninklijke Bibliotheek bewaard, maar in heel Amsterdam was geen compleet exemplaar van deze toch baanbrekende eerste glossy te vinden – zelfs de uitgeverij had hem niet volledig.

Datzelfde gold voor de Haarlemse editie van Het Vrije Volk. Deze sociaal-democratische krant was rond 1956 de grootste van Nederland. In 1991 ging ze ten onder. Elke wat grotere stad had indertijd een eigen inlegvel met streeknieuws en recensies van plaatselijke concerten en toneelstukken. Mulisch schreef voor de Haarlemse editie toneelrecensies. Nu zijn er wel volledige exemplaren van Het Vrije Volk overgeleverd, met daarin de Rotterdamse inleg, maar de Haarlemse versie bestaat niet meer. Toch moet de Haarlemse editie een oplage van vele duizenden gehad hebben. Een compleet overzicht van het werk van Mulisch is dus nu al niet meer te maken.

Wat is de wijze les uit deze twee voorbeelden? Hoe hoger de oplage en hoe lager het aanzien, hoe meer kans dat iets van de aardbodem verdwijnt. Dat is de paradox van het behoud van materiële zaken die ook de historicus kent: hij zal makkelijker de drinkbeker van stadhouder Willem I kunnen terugvinden dan de drinknap van Jan de Lakenwever uit Leiden. Van Constantijn Huygens zijn honderden brieven overgeleverd, van zijn dienstmeisje geen.

Datzelfde geldt voor boeken. Dichtbundels en luxe-uitgaven met versierde banden worden bewaard, maar de onnozele boekjes met slappe kaften die spoorwegkiosken verkochten, zijn niet meer te vinden. Fotoromans, zoals die een twintigtal jaren geleden populair waren, zijn nergens bewaard. Een exemplaar van het eerste telefoonboek voor heel Nederland uit 1915 is veel moeilijker te krijgen dan een eerste druk van de poëziebundel Het zichtbaar geheim van Albert Verwey uit hetzelfde jaar. Hoe groter de oplage, hoe onaanzienlijker gedrukt, hoe groter de kans dat de uitgave niet meer op te sporen valt.

Voor schoolboeken gaat hetzelfde op. De Bosch-atlas wordt door de schoolverlater nog wel bewaard en ook het Koenen woordenboek, maar wie heeft er nu nog uit zijn schooltijd het scheikundeboek of het werkschrift Frans? Zonder aanzien des titels worden ze ingeruild of weggegooid. Niemand heeft me ooit een plankje laten zien waarop hij zijn oude schoolboeken uitgestald had, terwijl je wel bij iemand op bezoek kunt komen die je trots een vergeeld prismapocketje van 1,25 laat zien met de woorden: dit was het eerste boek dat ik zelf kocht.

Laten we boeken eens in klassen indelen zoals meester Pennewip van Multatuli het met mensen deed. Volgens hem was de schepping ingedeeld als een piramide, met God, engelen en geesten boven aan de top, en helemaal onder aan de oesters en mosselen. Daartussen de mensen en andere zoogdieren. Aan de top daarvan stonden de koningen, burgemeesters en gepromoveerde dominees. Direct daaronder professoren en kooplieden. Dan artsen, advocaten en ongepromoveerde dominees. Heel laag, vrij dichtbij de mosselen, stond de burgerklasse. Die verdeelde hij verder in rangen, afhankelijk van het aantal ramen en het aantal bedden dat hun huizen hadden. Pennewip ging niet nog verder naar beneden, naar de mensen die in de souterrains woonden en slechts een bedstee hadden, geen gootsteen en wel kakkerlakken, muizen en ratten.

De mensenindeling van Multatuli kunnen we heel makkelijk verplaatsen naar boeken. Bovenaan de piramide van boeken staan de luxe uitgaven zoals dure kunstboeken, het grachtenboek van Amsterdam, jubileumuitgaven over De Ruyter en dergelijke.

Daaronder komen de fotoboeken van moderne fotografen als Arbus of Rineke Dijkstra.

Direct daaronder de klasse van de geïllustreerde historische boeken, liefst in serie uitgegeven, zoals De plaatsen van herinnering van uitgeverij Prometheus of de serie Geschiedenis van Amsterdam.

Van een veel lagere orde zijn de romans. Vroeger werden ze in de huiskamer gezet, maar boeken in de woonkamer tref je tegenwoordig alleen nog maar bij de grijze golf aan. De dertigers hebben ze in de slaapkamer staan.

De schoolboeken bungelen ergens helemaal onderaan. Bij scholieren liggen ze op de grond, blijven in rugzakken tot ze weer nodig zijn, worden niet meer gekaft, worden geminacht.

En vooral: ze worden niet bewaard.

Dat is nu juist een probleem voor historici. Net zo min als lokale kranten en kioskromans, komen de schoolboeken in archieven of bibliotheken terecht. En toch: wie de geschiedenis van een vak wil bestuderen heeft schoolboeken nodig. Slechts toevallig zijn er hier en daar wat collecties schoolboeken overgebleven. Maar daarbij is het probleem dat ze voor een groot deel niet eens beschreven zijn, dat de titels en drukken niet bekend zijn. De Universiteit van Amsterdam heeft een grote verzameling in de zogenaamde Pedagogische bibliotheek zitten, maar er is geen catalogus van. In de Maastrichtse bibliotheek zijn collecties van rooms-katholieke scholen en kloosterordes terechtgekomen, maar ook daar weten de bibliothecarissen niet precies wat ze in huis hebben.

Stel dat je de geschiedenis van het lezen wil schrijven. Daarbij hoort ook de geschiedenis van het onderwijs in de techniek van het lezen. Die kun je niet schrijven als de vroegere methoden van leren lezen niet geconserveerd zijn. Het is bekend dat leerlingen vroeger leerden spellen en schrijven met de zogenaamde hanenboekjes. Ze werden zo genoemd omdat de haan als een vlijtig beestje bekend staat dat vroeg opstaat, en daar moesten de leerlingen een voorbeeld aan nemen. Van die hanenboekjes zijn er wel wat bewaard, maar zeker niet alle uitgaven die in de Republiek gebruikt werden.

In de late negentiende eeuw ontwikkelde de onderwijzer M.B. Hoogeveen het zogenaamde leesplankje met losse letters, waarmee ‘aap noot mies’ gevormd kon worden. Een enkele keer staat er zo’n los letterdoosje en een origineel leesplankje nog wel eens op Marktplaats, maar ook hier geldt: zodra er een nieuwe methode kwam kon Hoogeveen bij het vuil. Op dit moment is de leesmethode ‘maan – roos – vis’ van frater Mommers uit de jaren zestig van de vorige eeuw de overheersende. Veilig leren lezen, heette zijn boekje. Wie een moderne variant kan bedenken met éénlettergrepige woordjes van deze tijd, mag er zeker van zijn dat zijn methode ingevoerd wordt en Veilig leren lezen weggegooid. De onderzoeker die zo’n geschiedenis wil beschrijven en wil achterhalen hoe de hanenboekjes vervangen werden door aap noot mies, hoe maan roos vis in de scholen doordrong, is aangewezen op wat niet weggegooid is – en dat is weinig.

Deze tragiek van het weggegooide schoolboekje geldt nog sterker voor exacte vakken. Er is geen denken aan dat er een compleet overzicht samen te stellen zou zijn van lesboeken wiskunde of aardrijkskunde. Er zijn wel enige proefschriften op dat gebied verschenen, zoals een over het oude rekenleerboekje van Bartjens, maar de auteurs kampten voortdurend met de onvindbaarheid van titels.

Gelukkig gloort er hoop. Diverse bibliotheken gaan binnenkort hun oude schoolboekencollecties inventariseren. Zodat er vakgeschiedenissen geschreven kunnen worden die weer bevruchtend kunnen werken voor nieuwe schoolboeken. Maar wat zal daarmee gebeuren nu die binnenkort helemaal gratis worden? Ik vrees dat ze in de boekenhiërarchie zullen blijven bungelen in de laagste categorie: net boven de mosselen.