Begraven in het bos

Historicus en politicoloog Harry Poeze schreef een monumentaal werk over de Indonesische vrijheidsoorlog. En loste na 58 jaar de moord op Tan Malaka op. Dirk Vlasblom

Tan Malaka tijdens de revolutiejaren. Foto KITLV
Tan Malaka tijdens de revolutiejaren. Foto KITLV KITLV

In de Indonesische vrijheidsoorlog (1945-1949) vochten Indonesiërs vaker met elkaar dan met de Nederlanders. Nadat Soekarno en Mohammed Hatta op 17 augustus 1945 in Jakarta de onafhankelijkheid hadden uitgeroepen, duurde het nog vier jaar voordat Nederland zich daar bij neerlegde. In die revolutiejaren was het nationalistische kamp diep verdeeld. Voormalige medestanders van Japan stonden tegenover antifascisten; voorstanders van diplomatie tegenover mannen-van-actie; gewezen koloniale officieren tegenover door Japan opgeleide jongeren; het nationalistische leger (TNI) tegenover communisten en radicale moslims; de Republiek (Java, Sumatra) tegenover Oost-Indonesië; en Moskougezinde communisten tegenover ‘nationale communisten’, geleid door de legendarische Tan Malaka.

Een beeld van deze bloedige broederstrijd doemt op uit het monumentale, driedelige geschiedwerk dat politicoloog en historicus Harry Poeze gisteren presenteerde in Leiden. Centrale figuur in de studie is de Sumatraanse revolutionair Tan Malaka (1894-1949), maar dit 2000 pagina’s tellende magnum opus is vooral een nauwgezette en indringende reconstructie van de turbulente periode 1945-1949.

Het project begon in de jaren zeventig, toen Poeze promoveerde op een studie over Tan Malaka’s jonge jaren – als scholier in Nederlands-Indië, kwekeling in Nederland, onderwijzer op de plantages van Sumatra en functionaris van de Kommunistische Internationale (Komintern) in Oost-Azië. Het vervolg groeide in een kwart eeuw uit tot een vernieuwende studie van de Indonesische Revolutie. Poeze’s sterkste staaltje is de oplossing van een bijna zestig jaar oud mysterie: de moord op Tan Malaka.

Twee dagen voor de presentatie zit de auteur glunderend in zijn werkkamer van het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde (KITLV) in Leiden, omringd door stapels nog ongebonden boekkaternen. Poeze: “Ik wilde niet volstaan met een vervolgbiografie van Tan Malaka, maar hem uitvoerig in zijn tijd plaatsen. Veel episodes van de revolutie op Java bleken namelijk niet goed of onvolledig te zijn beschreven.”

instructies

De studie werpt onder meer een nieuw licht op de communistische coup in Madiun, Oost-Java, in september 1948. Poeze: “Die is door communistische veteranen afgedaan als een uit de hand gelopen plaatselijk incident. In mijn gesprekken met de enige nog levende betrokkene, Soemarsono, die nu in Australië woont, erkende hij dat hij die actie niet zelf startte, maar dat een delegatie van het Politburo van de communistische partij (PKI) naar Madiun kwam met instructies van partijleider Moeso om een communistische republiek te vestigen. Moeso had uitvoerig overleg gepleegd in Moskou voordat hij naar Indonesië vertrok. Tan Malaka zat toen in een nationalistische gevangenis.”

Toen Tan Malaka in 1942 in het geheim terugging naar Indonesië had hij twintig jaar voor de Komintern gewerkt, in China, Thailand en de Filippijnen. Hij had gepleit voor samenwerking met de islamitische beweging, zich verzet tegen de door Stalin gesteunde – mislukte – PKI-opstand van 1926 en vervolgens gebroken met Moskou. Tijdens de Japanse bezetting werkte hij, onder een schuilnaam, in een bruinkoolmijn in West-Java. Rond de ‘Proklamasi’ van onafhankelijkheid van 17 augustus 1945 ging hij naar Jakarta, waar hij contact legde met Soekarno.

Poeze: “Soekarno, president van de rebelse Republik Indonesia, erkende Tan Malaka aanvankelijk als zijn meerdere. Soekarno was destijds heel onzeker en verwachtte dat hij zou worden opgepakt door de Geallieerden. In een Politiek Testament schreef hij dat hij in dat geval de macht overdroeg aan Tan Malaka. Die vond Soekarno en Hatta al gauw veel te gematigd en vormde begin 1946 een Volksfront van alle partijen die tegen het kabinet van de socialist Soetan Sjahrir en onderhandelingen met Nederland waren. Slim manoeuvreren van Soekarno en onhandig optreden van Tan Malaka zelf voorkwam dat het Volksfront in februari 1946 een nieuwe regering vormde.”

In maart 1946 werd premier Sjahrir benaderd door enkele studenten met het voorstel om de dwarsligger Tan Malaka in te rekenen. Sjahrir, Soekarno en Hatta gaven toestemming en Tan Malaka zat 2,5 jaar vast. Poeze: “In september 1948 besloot Hatta hem vrij te laten, als ‘tegenwicht’ tegen Moeso, die net was teruggekeerd uit Moskou en aanstuurde op een confrontatie. Moeso moest niets hebben van ‘de trotskist en verrader’ Tan Malaka en zei hem ‘bij de eerste gelegenheid te zullen ophangen’.”

De opstand in Madiun, die door Tan Malaka werd veroordeeld, werd bloedig neergeslagen door republikeinse troepen. Op 7 november richtte Tan Malaka de Partai Rakyat Murba (partij van het gewone volk) op. Die kwam niet van de grond, want op 18 december bezetten Nederlandse troepen Yogyakarta, de voorlopige hoofdstad van de Republiek. Soekarno, Hatta en enkele ministers werden gevangen gezet. Nederland rechtvaardigde deze agressie door te wijzen op de ‘sterke nieuwe communistische partij van de getrainde agitator Tan Malaka’. Die was, zei ambassadeur J.H. van Royen op 22 december voor de Veiligheidsraad, ‘een ernstiger gevaar voor de regio dan Moeso.’

Toen de Nederlanders Yogyakarta bezetten, was Tan Malaka in Kediri, Oost-Java, waar hij op 19 december een radiorede hield. Daarin riep hij op ‘terug te keren naar de strijd met de bambu runcing (gepunte bamboe, symbool van gewapend volksverzet) en de politiek van honderd procent onafhankelijkheid’. De Nederlandse agressie had het failliet van onderhandelingen ondubbelzinnig aangetoond. Toen Kediri op 25 december werd ingenomen door Nederlandse troepen, trok Tan Malaka dieper Oost-Java in. Hij vestigde een hoofdkwartier in Blimbing, een dorp omringd door rijstvelden. Poeze: “Daar verbond hij zijn lot – een onbegrijpelijke inschattingsfout – met majoor Sabarudin, een psychopaat die het met alle andere strijdgroepen aan de stok had.” Sabarudins Bataljon 38 was Tan Malaka’s enige bescherming en het aantal vijanden groeide met de dag.

In Blimbing schreef Tan Malaka in twee maanden 25 pamfletten. Vóór compromisloze strijd met Nederland; tegen Soekarno en Hatta, die zich hadden latten arresteren; en tegen de TNI-leiding, die ‘even snel naar de bergen was gevlucht als de Nederlandse vliegtuigen vlogen’. Die vlugschriften, getikt op een oude schrijfmachine en gekopieerd op met geitenvet en roet gemaakt doorslagpapier, vonden hun weg in Oost-Java. Poeze: “Tan Malaka beschouwde zichzelf als opvolger van Soekarno en riep TNI-soldaten op zich aan te sluiten bij het bataljon van Sabarudin, naar zijn – onterechte – oordeel het enige dat daadwerkelijk tegen Nederland vocht. De TNI kreeg hier al snel genoeg van.” Op 17 februari vaardigden de TNI-bevelhebbers in Oost-Java een order uit om ‘majoor Sabarudin van zijn bevel te ontheffen en hem en de onruststokers om hem heen te veroordelen volgens militair recht’.

opgepakt

De laatste acte lijkt ontleend aan een Griekse tragedie. Verschillende krachten dreven, zonder het van elkaar te weten, Tan Malaka de dood in. Op 19 december overviel een TNI-eenheid Blimbing. Tan Malaka en enkele getrouwen werden opgepakt. De gevangenen werden naar het dorp Sawahan gebracht, tien kilometer van Blimbing. Daar werden ze bewaakt door militaire politie van de TNI.

Op 20 februari begon een bataljon van het beruchte Nederlandse Korps Speciale Troepen (KST) vanuit het Oost-Javaanse stadje Nganjuk ‘Operatie Tijger’. Hun opdracht: de omgeving ‘beveiligen’ en politieke leiders en ‘communistische benden’ – in het bijzonder Tan Malaka – uitschakelen. Speciaal doelwit: de republikeinse zender in Sawahan.

Het KST rukte snel en hardhandig op, ondersteund vanuit de lucht. Er werden regelmatig mensen geëxecuteerd om de bevolking te intimideren. TNI-soldaten vluchtten de bergen in, maar de hele politieke top van Oost-Java werd opgepakt. Toen op 21 februari aan de rand van Sawahan geweervuur klonk, dachten Malaka’s bewakers dat het KST naderde. Ze sloegen op de vlucht, de gevangenen achterlatend. Tan Malaka, die een wond had aan zijn been, en zeven metgezellen, onder wie een stafofficier van Sabarudin, begonnen te lopen. Toen zij bij het gehucht Selopanggung op een TNI-post stuitten, liet het escorte Tan Malaka in de steek. Hij werd naar de lokale commandant gebracht, tweede luitenant R. Sukotjo. Die begreep meteen met wie hij te doen had: een gevaarlijke communist op wie militair recht moest worden toegepast. Poeze: “Sukotjo gaf het bevel; degene die de trekker overhaalde heette Suradi Tekebek. Er werd geen rapport opgemaakt; Tan Malaka werd begraven in het bos.”

Harry A. Poeze, ‘Verguisd en vergeten – Tan Malaka, de linkse beweging en de Indonesische Revolutie, 1945-1949’, KITLV Uitgeverij, Leiden, 2007, 2010 bldz., 3 dln., geïll.