Nog altijd klodderen in het land van Sarkozy

Waarom kunnen de Fransen niet fatsoenlijk een tenniswedstrijd in beeld brengen?

Jaren geleden, toen ik voor het eerst naar Roland Garros keek, dacht ik nog: ach, ze leren het wel. Maar nee. Nog altijd rukken ze uit met tientallen camera’s, plus die ene die aan een kabel boven het banencomplex hangt, en die op onbewaakte momenten nutteloos het hele terrein bezwenkt.

Die eerste keer raakte ik nog bijna vertederd: net kleine kinderen die voor hun verjaardag een verfdoos hebben gekregen, en meteen alle kleurtjes door mekaar heen beginnen te klodderen.

Maar twintig of dertig jaar later klodderen ze nog steeds.

Die luchtcamera is nog heilig vergeleken met de overige 89. Die leggen allerlei nietswaardige tafereeltjes vast die ze op de tribunes aantreffen, en die ze blijkbaar interessant of misschien wel ontroerend vinden. Een jongetje dat verveeld in zijn neus peutert. Twee meiden die giechelend mekaars haar kammen. Een oude man die in slaap is gevallen over Le Monde. Een tennisbal die langzaam de baan afstuitert. Iemand die het in de gaten heeft en geestdriftig naar huis zwaait.

Ik ben dol op petite histoire. Maar ik wil wel bijtijds weten of Napoleon op het nippertje nou wel of niet Waterloo nog heeft gewonnen.

De regisseur kan het aanbod van de 89 camera’s natuurlijk consequent negeren. Met drie camera’s die links en rechts het veld bestrijken, en hoogstens nog eentje voor als iemand moet worden ingetapet, zou hij het hele toernooi perfect kunnen coveren. Maar misschien is hij bang dat hij van de Franse Harm Bruins Slot op z’n donder krijgt als hij niet alle alle camera’s veertien dagen lang uitgebruikt. Of misschien heeft hij de pest aan tennis.

Het allerergste zijn z’n superimpoosjes.

De superimpose is een uit de filmtaal verdwenen stijlmiddel. Het werd een jaar of tachtig geleden uitgevonden, toen bioscoopbezoekers nog moesten wennen aan het hoge tempo waarin een filmverhaal soms werd verteld.

In de jaren dertig was het bijvoorbeeld al gebruikelijk dat iemand volgens het scenario even naar Amerika op en neer moest. Tegenwoordig maakt geen kijker daar nog een punt van. Hij ziet de hoofdfiguur z’n Amsterdamse koffer openen, en in de volgende oogopslag blijken we al op Fifth Avenue te zitten. Allicht. Maar ik weet zeker dat mijn grootvader, als ik hem even op aarde en naar Tuschinski kon terugroepen, totaal in de war zou raken. Was New York met de Holland-Amerika niet minstens tien dagen? Hoe kon die filmheld dan in twee tellen de grote plas over komen?

Om mensen als mijn grootvader (die volgens mij nooit een film heeft gezien; bioscoop was in zijn dagen even ordinair als televisie nu) een beetje te helpen, hebben ze toen de superimpose ontwikkeld: de overvloeier. De held doet z’n koffer open, in bijna hetzelfde beeld rijdt een taxi voor, er komt nog een beeld van een met ronkende motoren op Schiphol gereedstaande Douglas DC2 overheen, de skyline van New York doemt al op, en binnen anderhalve seconde heeft zich in de verbeelding voltrokken wat in de werkelijkheid anderhalve week duurde.

Toen eenmaal de moderne afspraak vastlag (regelrecht van de grachtengordel naar Waldorf-Astoria – mijn grootvader was nou toch al dood) is de superimpose afgeschaft,

Behalve in Franse tennistelevisietaal.

Hewitt staat klaar voor de opslag – en vóór hij kan slaan heeft de regisseur vijf, zes superimposen ingelast van tegenstander Nadal, van de scheidsrechter, van mevrouw Hewitt op de tribune, van diverse ballenjongens, van het net, en van nóg twee keer Hewitt die ik driedubbel zie alsof ik dronken ben. Maar de eigenlijke service slaat hij nooit.

Kunnen we Frankrijk in Europees verband niet verbieden Roland Garros uit te zenden?

Eerdere columns van Blokker zijn te lezen via nrc.nl/blokker