Jezelf als een vreemde zien

In Athene bouwt de Zwitserse architect Bernard Tschumi een nieuw Akropolis-museum. Het heeft een sober en robuust ontwerp, maar door de dialoog van het oude met het nieuwe maakt het je bewust van jezelf.

Het nieuwe Akropolis Museum foto Reuters A general view shows the construction site of the Acropolis museum in Athens February 8, 2007. REUTERS/Yiorgos Karahalis (GREECE) architect: Bernard Tschumi
Het nieuwe Akropolis Museum foto Reuters A general view shows the construction site of the Acropolis museum in Athens February 8, 2007. REUTERS/Yiorgos Karahalis (GREECE) architect: Bernard Tschumi REUTERS

Van de Grieken kun je houden, maar je kunt ze niet altijd volgen. Het Nieuwe Akropolis Museum van de Zwitserse architect Bernard Tschumi zou klaar zijn, en de pers was harte welkom. Alleen de antiquiteiten moesten nog overgebracht van het oude museum, een spektakel dat een jaar gaat duren en vanaf het najaar door het publiek bezichtigd kan worden. Maar als ik me aanmeld voor een rondleiding, moet ik een bouwhelm op en in het gebouw balanceer ik over planken, struikel over draden, de vloeren zijn van ruw beton, de muren onafgewerkt, en bouwvakkers boren en hameren dat het een lieve lust is. Daklichten zijn met planken afgedekt en over de sublieme lichtval valt alleen te fantaseren.

Teleurstelling is niet zelden het beste dat je kan overkomen. Het dwingt je je verwachtingen los te laten, en als je geluk hebt, maak je iets mee wat je je nooit had kunnen indenken. Het blijkt bijvoorbeeld prettig rond te lopen in een museum in aanbouw. Prettiger dan in een voltooid museum. De ruimtes zijn onaf en hebben nog geen bestemming. Functies en betekenissen zijn opgeschort, de ruimtes zijn nergens mee belast, en je hoeft geen museumbezoeker te zijn, je hoeft geen belangstelling te hebben, kennis tot je te nemen, interesse te veinzen, je hoeft helemaal niets; omdat het gebouw vrij is, ben je zélf vrij.

Strikt conceptueel zou het ook beter zijn het museum niet af te maken. In aanbouw onthult het hoe antiquiteiten in Athene aan het licht komen: door het bouwen. Het bouwen mag dan gewelddadig zijn, commercieel, zonder het bouwen zijn er geen opgravingen. Een bouwplaats wordt uitgegraven en de bouwvakkers stuiten op een oud huis, een tempel, een urn of een antieke haarspeld. De bouw wordt gestaakt en een opgraving volgt. In het centrum van Athene is dat eerder regel dan uitzondering, er wordt vaak gebouwd op de resten van vroege bewoning en menig gebouw heeft dan ook, als een bezwaard geweten, schaars aangelichte ruïnes in het souterrain. Het Nieuwe Akropolis Museum moest op ‘poten’ vanwege huizen uit de Helleense en Romeinse tijd. De opgravingen zijn in het museum opgenomen: midden in de vloer van de entree is een ruimte uitgespaard en zie je een wirwar van muren en stegen.

Het opgraven en het bouwen spiegelen zich ook. Het opgraven is eigenlijk een omkering van het bouwen. Er wordt geen materie toegevoegd maar weggehaald, en muren komen tevoorschijn. Het is daarom niet meer dan logisch dat de man die de leiding heeft over het bouwproces, de innemende professor Pandermalis, een archeoloog is en geregeld opgravingen doet.

De dialoog tussen oud en nieuw gaat in het Nieuwe Akropolis Museum nog verder. Althans zolang het in aanbouw is. Je ziet binnen wat je ook op de heuvel ziet: kolommen en steigers. Het Parthenon verkeert al vele jaren in staat van (re)constructie en lijkt voor eeuwig vergroeid met steigers, bouwketen en bouwvakkers. De tempel laat zich amper nog zónder voorstellen. Als architectuur het in materie uitdrukken van een idee is, hoe zou je dan beter kunnen uitdrukken dat geschiedenis een speculatie is, een constructie waar tot in lengte van dagen aan gebouwd en gemorreld zal worden? Daarom is het aan te bevelen de suppoosten in het nieuwe museum te vervangen door bouwvakkers en de steigers te laten staan. Zo kun je de beelden en reliëfs in een waarachtig perspectief zien.

Bij de bouw van het

Nieuwe Akropolis Museum dringt de vraag zich op wat mensen ontlenen aan het bezichtigen van ruïnes en brokstukken. Slechts een enkeling zal iets meer weten van de Helleense geschiedenis en zich laven aan de beelden, de betekenis vatten van deze of gene plooi of subtiliteit in het marmer. Het merendeel schuifelt er straks vermoeid en glazig kijkend langs. Ervaren zij iets van de duizeling van de geschiedenis, de afgrond van de tijd? Of hebben het museum en de Akropolis voor hen eenzelfde allure als de toren van Pisa, Disneyland en The Walk Of Fame?

Twee jaar geleden zat ik met een verblijfsbeurs van het Fonds voor de Letteren enige weken in het Nederlands Instituut in Athene. Dagelijks wandelde ik om de toeristische trekpleister heen en zag er telkens nieuwe busladingen over uitgestort worden. Daar stonden ze dan in rijen voor de kassa om twaalf euro te doneren, daar glibberden ze over de gladde stenen omhoog en hielden elkaar angstvallig vast, daar bestegen ze het plateau en fotografeerden elkaar voor de zuilen. Van over de hele wereld kwamen ze, alle volkeren hadden zich verenigd. Het kwam nogal zinloos over, maar iedereen was er heel gelukkig mee.

Reizen laat zich opvatten als ergens zijn waar je niets te zoeken hebt. Reizen maakt je naakt, je gaat niet langer in functies en zinvolle bezigheden gekleed en treedt buiten de gemeenschap waarin je doorgaans bent ingebed. Misschien beangstigt dat en zoeken toeristen naar een redengeving of toestemming om ergens te mogen zijn. Het stelt ze gerust naar de Akropolis te gaan. Het is een ritueel: ze offeren tijd en geld, ze verrichten een inspanning en klauteren de heuvel op en stellen zich bloot aan de brandende zon en herkrijgen daarmee hun plek in de gemeenschap. Wat dat betreft is in drieduizend jaar weinig veranderd, nog altijd wordt er op de Akropolis voor de gemoedsrust geofferd. En het werkt naar twee kanten: omdat toeristen hun verblijf met een offer sanctioneren en betekenis geven, verliezen ook de zuilen en beelden hun status van ‘overblijfsel’ en worden met betekenis geladen.

Zelf had ik indertijd de Akropolis niet nodig. Ik had mijn reden om in Athene te zijn en was voor even geen toerist. De Akropolis en het Theater van Dionysos en het Herodion zag ik elke dag, ze waren het decor van mijn middagwandelingen en onttrokken zich steeds meer aan hun betekenis als ‘te bezichtigen oudheden’. Misschien begon ik ze een beetje te zien zoals de Atheners, heel alledaags. Niet dat ze naar de achtergrond verdwenen. Ze werden juist meer aanwezig, meer onderdeel van het ‘hier en nu’. Ze drongen zich fysiek aan me op, tastbaar steen, en kregen elke dag een grotere realiteit. Ze stelden zich tegenover het moderne Athene, dat in de verte glinsterde als een kristallijnen afzetting van miljoenen jaren geleden. En zie, een sublieme omkering vond plaats. Het heden openbaarde zich als een verleden, de oudheid won aan realiteit.

Je vraagt je af hoe

de architect Bernard Tschumi het bezichtigen van oudheden heeft opgevat. Zijn museum spreekt zich daar onvermijdelijk over uit. Musea zijn allang niet meer neutrale gebouwen waar voorwerpen keurig gecategoriseerd worden tentoongesteld. Musea bieden zelf een belevenis, een visie. Ze zijn boodschap, medium en container ineen. Ze reflecteren op hun maatschappelijke functie en op de betekenis van de voorwerpen en de kennis die ze in zich bergen. Leeg zouden musea als het Joods Historisch Museum in Berlijn en het Guggenheim Museum in Bilbao evenveel bezoekers trekken. Ze vormen een attractie, een spektakel, en zijn zo ontworpen dat ze bezoekers naar zich toehalen en de stad een economische impuls geven.

Het oude Akropolis Museum is nog een ouderwets, neutraal museum. Eigenlijk meer een benepen schoolgebouw. Opeengepakte oudheden, en bezoekers die opeengepakt door de slecht verlichte lokalen drommen. Tschumi won de competitie voor een nieuw museum. Het was een beladen opgave voor een beladen plek. Een nieuw museum ten overstaan van het Parthenon, de tempel die al door Le Corbusier in zijn boek Vers une architecture (1923) werd gezien als het ijkpunt voor moderne architectuur: ‘Geen religieus dogma dient zich aan, geen symbolische beschrijving, geen naturalistische representatie, er is niets dan pure vormen en pure verhoudingen.’

Van buiten is het Nieuwe Akropolis Museum sober en robuust. Een plat, trapeziumvormig gebouw met openingen, een rechthoekige opbouw van donker getint glas en een luifel van een adembenemend formaat. Wat schoonheid betreft voegt het museum zich naar Athene; schoonheid hield de Grieken alleen in de oudheid bezig, sindsdien zijn ze op hun onnavolgbare wijze vooral pragmatisch. Esthetiek is ook niet Tschumi’s primaire interesse. Van hem weten we dat hij de gebeurtenis en de beweging als de essentie van architectuur beschouwt, niet de vorm. Parc de la Villette in Parijs is met zijn raster van follies zijn bekendste ontwerp. Het was bedoeld als een park voor de 21ste eeuw. Door traditionele ordeningsstrategieën te vermijden wilde ‘deconstructivist’ Tschumi een stedelijke sensatie generen en gebeurtenissen provoceren. Het Nieuwe Akropolis Museum laat zich er nog niet gelijk in herkennen. Met enige goede wil wel in zijn Groningse videopaviljoen (1991). In een scheve glazen ‘balk’ kon je videoclips bekijken. Maar omstanders zagen jou, voor hen was jíj in je wankele positie de bezienswaardigheid.

Ook het Nieuwe Akropolis Museum moet het hebben van een eenvoudig concept. De min of meer spiraalvormige beweging door het gebouw vertelt het verhaal van de antiquiteiten chronologisch. Dat verhaal begint bij de opgravingen en leidt je langs de archaïsche oudheden; via de marmeren beelden van het Parthenon kom je vervolgens bij de Romeinse beelden. Vanuit de verschillende niveaus keer je telkens bij de betonnen kern terug. Die kern omvat een atrium, dat heel sacraal licht van boven vangt. Ook de proporties refereren aan het sacrale: het zijn de proporties van een tempel. Je wordt op iets voorbereid, naar iets toe geleid. Dat geldt ook voor de helling naar de eerste verdieping. Die helling is een parafrase van de helling van de Akropolis. Net als op de heuvel zullen bezoekers hier stap voor stap over de gladde vloer omhoog schuifelen; aan het eind ervan hangt het fronton van het archaïsche Parthenon.

De galerie op de eerste verdieping is hoog, met hoge kolommen. Je ademt er ontzag en de beelden krijgen alle licht en ruimte. Ga je verder, dan is er een groot terras. Ook daar draait alles om het Parthenon. Het Parthenon prijkt als een lichtend visioen op de heuvel, het Parthenon wordt gespiegeld in het donkere glas van de opbouw. Kleine gestalten leunen tegen de balustrade en kijken omlaag, naar jou. En omdat ze naar jou kijken, zie je jezelf met hun ogen en word je je bewust van je aanwezigheid, van je rol als museumbezoeker. Tschumi doet hetzelfde als in Groningen: hij maakt je bewust van jezelf. Je gaat jezelf als een vreemde zien, met een rol behept. Dat is ongemakkelijk, maar biedt ook de kans naast die rol te gaan staan en een sprankje vrijheid te verwerven.

Met een roltrap bereik je

de bovenste galerie. De glazen opbouw, die eindelijk zijn ware betekenis onthult. Het is een omgang, je loopt er om de betonnen kern heen. Stalen kolommen lopen mee, en je ziet meteen dat het er evenveel zijn als de zuilen van het Parthenon. Ook de oriëntatie van de opbouw is identiek: opbouw en tempel liggen evenwijdig aan elkaar. Het Parthenon wordt in de opbouw verdubbeld. En mocht je nog twijfelen, dan hangt in de omgang de beroemde fries, voor het eerst weer in goede volgorde. Delen ervan zijn nog in de Duveen Gallery in London. Even werd er overwogen die plekken in de fries leeg te laten, als provocatie aan de Britten. De oplossing wordt waarschijnlijk subtieler; kopieën vullen de gaten en worden afgeschermd met fijn gaas, zodat ze een schimmige, ongrijpbare presentie krijgen.

Met zijn spiegelingen is het Nieuwe Akropolis Museum een eerbetoon aan het Parthenon. Er wordt eenzelfde ritueel geboden. Je offert entreegeld en maakt dezelfde klim en ondergaat de sacraliteit van het atrium en komt uit bij wat letterlijk en figuurlijk het hoogtepunt van het museum mag heten: een opbouw die de tempel imiteert. Maar een imitatie is ook altijd subversief. Een imitatie ondermijnt het gezag en de uniciteit van het origineel. Zoals een zoon zijn vader nadoet en daarmee zijn gezag erkent én ondergraaft.

Wat moet je ook als je in het aanzicht van een architectonisch heiligdom een museum ontwerpt? Bernard Tschumi heeft terrein op het Parthenon proberen terug te winnen, hij heeft zich onder het verpletterende voorbeeld van drieduizend jaar uitgewerkt door de tempel na te bootsen. Het resultaat is andermaal een omkering: in het helle licht van de heuvel verliest het Parthenon aan realiteit en lijkt een spiegeling of projectie van het museum. Alsof het Parthenon vanwege het museum bestaat, door het museum wordt voortgebracht, er misschien zelfs een fantasie of gedroomd ideaalbeeld van is.