Israël, veertig jaar later

Het was ironisch noch sarcastisch bedoeld, en daarom was het zo’n treurige uitspraak van de Israëlische Jasmin Avissar. Deze 26-jarige vrouw, die met haar Palestijnse geliefde naar Berlijn is gevlucht, zei dinsdag in het omslagverhaal van deze krant: „Het is goed om joods te zijn in Duitsland. Het is hier veiliger en vrijer dan in Israël.”

Jasmin en haar vriend Osama is het praktisch onmogelijk gemaakt om in hun land van herkomst samen te zijn. De muur en andere fysieke en psychische barrières die Israëliërs en Palestijnen van elkaar scheiden, maken dat onmogelijk.

Zondag is het veertig jaar geleden dat Israël een toen glorieuze overwinning behaalde in de Zesdaagse Oorlog. Op 10 juni 1967 kwam er een einde aan deze strijd en had Israël de Gazastrook en de Sinaïwoestijn op Egypte veroverd, de hoogvlakte van Golan op Syrië en de Westelijke Jordaanoever en Oost-Jeruzalem op Jordanië. Het kleine land dat zich bedreigd voelde nadat Egypte de havenstad Eilat had geblokkeerd en een legermacht naar de grens met Israël had gestuurd, had zich in militair opzicht superieur getoond aan zijn Arabische buren.

Vier decennia later moet worden geconstateerd dat Israël zich nog altijd terecht bedreigd voelt. Gelegen in een grotendeels vijandige omgeving, tussen landen waarvan de leiders van democratie, mensenrechten en rechtsstaat weinig moeten hebben. In de wetenschap dat het militaire overwicht niet meer zo vanzelfsprekend is, zie het echec van de Tweede Libanonoorlog vorig jaar, en dat er vijandige staten op de loer liggen die destijds geen rol speelden: Iran.

Veertig jaar na de Zesdaagse Oorlog en bijna zestig jaar na de stichting van de Staat van Israël in Palestina valt ook niet te ontkomen aan de vaststelling dat het land van de joden veel sympathie in het Westen heeft verloren, in het bijzonder in West-Europa. Het schuldgevoel dat mede de basis vormde voor deze pro-Israël houding, is aan het verjaren en maakt plaats voor toenemend begrip voor de Palestijnen. Zij waren en zijn het slachtoffer van de stichting van Israël en voor hen is nooit een fatsoenlijke oplossing gevonden. Levend in een verbrokkeld land, dat het feitelijk onmogelijk wordt gemaakt zich economisch te ontplooien en geheel hulpafhankelijk is. Bovendien wordt het verscheurd door interne twisten en mede geregeerd – voorzover er van regeren kan worden gesproken – door een terroristische organisatie, Hamas, die de vernietiging van de staat Israël nog altijd niet uit haar statuten heeft geschrapt. Maar die strijdt dan ook tegen een vijand die keer op keer VN-resoluties naast zich heeft neergelegd, en onverdroten is doorgegaan met het bouwen van joodse nederzettingen op Palestijnse grond.

Ook nog gehinderd door de bemoeienis van religieuze fanaten, ziet het Israëlisch-Palestijns conflict er onoplosbaar uit. Toch ligt daar de kern: Israël zal tot een vorm van vreedzame coëxistentie met zijn Palestijnse buren moeten zien te komen. De droom blijft dat (de kleinkinderen van) Jasmin en Osama ooit ongehinderd hand in hand door Jeruzalem kunnen wandelen.