Ineens viel er niet meer te lachen

Hoe de bolsjewieken elkaar tijdens vergaderingen portretteerden en bespotten N.P. Brioechanov, door V.I. Mezjlauk
Hoe de bolsjewieken elkaar tijdens vergaderingen portretteerden en bespotten N.P. Brioechanov, door V.I. Mezjlauk

Alexander Vatlin en Larisa Malashenko (red.): Piggy Foxy and the Sword of Revolution. Bolshevik Self-Portraits. Yale University Press. 208 blz. € 42,80

De weg naar het arbeidersparadijs leidt langs vele, lange, saaie vergaderingen. In de decennia na de bolsjewistische machtsgreep van oktober 1917 werd door Lenins partij eindeloos gepraat over hoe het verder moest met de revolutie. Leidende partijleden troffen elkaar soms een paar maal per dag in gremia als het Politbureau, het Centraal Comité, Sovnarkom en Gosplan. En wat doet een mens tijdens slaapverwekkende beraadslagingen? Hij gaat poppetjes tekenen.

Zo ook de voorhoede van Ruslands proletariaat. Tijdens de jaren tussen de revolutie en het uitbreken van Stalins Terreur tekenden vooraanstaande bolsjewieken duizenden portretten en karikaturen van elkaar. De Russische onderzoekers Aleksandr Vatlin en Larisa Malasjenko hebben een kleine 200 van deze kunstwerkjes opgediept uit het archief en bij elkaar gebracht in Piggy Foxy and the Sword of Revolution: Bolshevik Self-Portraits. Dat levert een opzienbarend en huiveringwekkend inkijkje op in de interne dynamiek van de Russische communistische partij.

De samenstellers hebben het boek in twee delen opgesplitst, ‘Portretten van leiders’ en ‘Kameraden en problemen’. In de portrettengalerij komen naast tientallen mindere goden ook alle bekende hoofden voorbij: Lenin, Stalin, Trotski, Zinovjev, Kamenev, Boecharin. Van deze kopstukken was Nikolai Boecharin de productiefste en getalenteerdste tekenaar. In een zelfportret zet hij zich neer als half-vos, half-varken, de ‘Piggy Foxy’ uit de titel. Stalin portretteert hij als een in zichzelf gekeerde pijproker.

De humor in de karikaturen van de jaren direct na de revolutie is tamelijk onschuldig. In tekstballonnetjes neemt men elkaar ideologisch de maat, maar altijd met een knipoog. Boecharin beeldde Feliks Dzerzjinski (oprichter van de Tsjeka, de voorloper van de KGB) af met een zwaard. Hij schreef erbij: ‘Het straffende zwaard van de dictatuur van het proletariaat, of Dzerzjinski’tje die de revolutie bewaakt.’ Dzerzjinski krabbelde erbij: ‘Hier ontbreken Boecharin, Kalinin en Sokolnikov die met vijlen het zwaard botter maken.’

Aan veel tekeningen is te merken dat de leiding van de partij uit mannen bestond. Geslachtsdelen, erg groot of juist erg klein, en poep- en piesgrappen vormen een belangrijk onderdeel van hun beeldtaal.

De illusie dat de communistische partij een vrolijke jongensclub was van ongelikte beren, wordt in het tweede deel van het boek ruw verstoord. De grappen zijn opeens niet zo onschuldig meer als je weet dat degene die in een karikatuur op de hak wordt genomen, in de toekomst het leven zou laten in een KGB-kelder.

Zo is er de tekening van volkscommissaris (minister) van financiën N.P. Brioechanov door V.I. Mezjlauk uit april 1930. We zien Brioechanov naakt, opgehangen aan zijn geslacht. De karikatuur was de tafel van het Politbureau rondgegaan zodat mensen er commentaar bij konden schrijven. De enige die wat bij deze tekening noteerde was Stalin. Hij schreef op de achterkant van het velletje: ‘Aan de leden van het P[olit]B[ureau]. Voor alle zonden, uit het verleden en het heden, hang Brioechanov aan zijn ballen. Als de ballen het houden, dan is hij vrijgesproken. Als ze het niet houden, verdrink hem in de rivier.’ De waarschuwing aan alle aanwezigen was onmiskenbaar.

Hoe dichter de tekeningen bij het begin van de Grote Zuiveringen in 1934 komen, des te ijselijker waait de wind in de portretten die de bolsjewieken van elkaar maakten. De humor is niet leuk meer, maar macaber.

Vatlin en Malasjenko zijn er in geslaagd met de tekeningen en de begeleidende teksten nieuw inzicht te geven in een onderwerp waarover al ontelbare boeken zijn verschenen. Ook voor wie denkt alles al te weten over de Russische Revolutie en de Terreur is Piggy Foxy and the Sword of Revolution een aanrader.

Met de meeste karikaturisten liep het slecht af, ook met Boecharin, die door Lenin in zijn testament nog de favoriete zoon van de partij werd genoemd. Tijdens een showproces in maart 1938 brulde de speciale aanklager Vyzjinski hem toe dat hij een ‘smerige kruising tussen een vos en een varken’ was. Boecharin moet met wanhoop hebben teruggedacht aan de tijd dat hij zichzelf tijdens een lange, saaie vergadering aldus had afgebeeld.