Een gezicht veranderen is moord

In 1999 debuteerde de joods-Amerikaanse schrijver Nathan Englander (36) met For the Relief of Unbearable Urges, een bundel briljante, licht-absurdistische verhalen over joden in de Oude en de Nieuwe Wereld. Acht jaar later ontroert hij met zijn eerste roman. In The Ministry of Special Cases zoekt een echtpaar tijdens de vuile oorlog in Argentinië naar een verdwenen zoon. Een gesprek met de schrijver en een bespreking van zijn boek, dat evengoed een roman van zoon en vader is als van moeder en zoon.

Nathan Englander Foto's Jørgen Krielen Jorgen Krielen/amsterdam, 30-05-2007/ Nathan Englander.
Nathan Englander Foto's Jørgen Krielen Jorgen Krielen/amsterdam, 30-05-2007/ Nathan Englander. Krielen, Jorgen

Een elegante vorm van brainwashen noemt Nathan Englander het. Sinds de verschijning van zijn eerste roman, The Ministry of Special Cases, wordt hij de wereld rondgesleept. Van hotel naar hotel, en als hij tussendoor een nachtje thuis in New York doorbrengt, vraagt hij zich af waarom er geen roomservice is. Om hyper van te worden, zegt hij. Je moet het hem maar niet kwalijk nemen dat hij drie keer zo snel als een normaal mens praat – zelfs sneller dan de gemiddelde New Yorker. Dat hij geen enkele zin afmaakt. Dat hij zichzelf in de rede valt. En dat van zijn interviewers enige zelfwerkzaamheid wordt verwacht.

Klagen over het publiciteitscircus doet Englander niet. Het is fascinerend om te zien hoe er in verschillende landen gereageerd wordt op een roman. Zeker als die gaat over een nog altijd actuele kwestie als de vuile oorlog in het Argentinië van de jaren zeventig. Amerikaanse journalisten hebben vooral oog voor het familiedrama, voor het lot van de joodse Kaddish en Lillian Poznan, die te maken krijgen met de verdwijning van hun enige zoon én met het antisemitisme van de Argentijnse samenleving. Engelsen zijn geïnteresseerd in de politieke situatie en in het orwelliaanse karakter van het leven onder de junta van Videla. En in Nederland, zo heeft Englander gemerkt, begint iedereen over het WK voetbal 1978 en de afkomst van prinses Máxima.

Tien jaar heeft Englander gedaan over Het ministerie van Buitengewone Zaken. Hij was er al aan begonnen voordat hij in 1999 debuteerde met de verhalenbundel For the Relief of Unbearable Urges. Een kort verhaal is nu eenmaal iets anders dan een roman, het is alsof je overstapt van het schrijven van juridische aktes naar een musical. En natuurlijk was Het ministerie van Buitengewone Zaken oorspronkelijk veel dikker; er is in de loop der tijd nogal wat uit verdwenen, zoals de geschiedenis van de voorouders van Kaddish en Lillian. Je moet je dat proces trouwens niet voorstellen als hakken en snoeien; meer als folding in, verdichting. Dat kost tijd. Het is dus niet zo dat Englander jarenlang naar wit papier heeft zitten staren. En ook niet dat hij tijd verloren heeft met ander werk. Zijn enige baantje was het geven van lessen creative writing gedurende twee semesters: ongeveer vijftig uur eerlijke arbeid in een heel decennium.

In Argentinië is Englander maar twee keer geweest: lang geleden heel kort voor een trouwfeest, kort geleden wat langer om het Buenos Aires van zijn roman in het echt te bekijken. Tijdens het schrijven documenteerde hij zich uitputtend, maar in de meeste gevallen achteraf, omdat hij vast gelooft in de kracht van de verbeelding. Dat laatste beschouwt hij als het restant van een streng-religieuze opvoeding, waarvan hij zich pas in zijn studietijd heeft losgemaakt. Het schrijven van fictie is een mystiek proces, Englander is ervan overtuigd dat hij voor een waarheidsgetrouwe karakterschets niet langer dan een uurtje met een persoon hoeft te praten.

De militaire coup van 1976, en de golf van verdwijningen die erop volgde, heeft Englander niet bewust meegemaakt. Daar voelt hij nog steeds een zekere schaamte over: hoe kon het dat er op zijn halfrond zulke verschrikkelijke dingen gebeurden zonder dat hij er iets van afwist? Het idee voor Het ministerie van Buitengewone Zaken kreeg hij pas in het begin van de jaren negentig, toen hij hoorde dat het joodse kerkhof daar door een muur in tweeën werd gedeeld; aan de verkeerde kant lagen de pooiers en hoeren van de joodse immigrantengemeenschap uit de jaren twintig. Zo verzon hij Kaddish, de joodse armoedzaaier die geld verdient met het uitwissen van de namen van families die liever niet herinnerd willen worden aan het schimmige verleden van hun voorouders.

De combinatie met de vuile oorlog kwam later, toen Englander in Jeruzalem in gesprek raakte met iemand die twintig jaar eerder gevlucht was voor de junta. Van hem hoorde hij hoe zwaar de joden destijds het hadden gehad – niet alleen door het eeuwige antisemitisme, maar ook omdat joden tot de politiek actiefste burgers behoorden. Ja, en zo ging het in zijn roman toch weer over joden, net als in zijn debuut. Er zitten joden in zijn hoofd, en die moeten eruit.

Englander kan zich voorstellen dat zijn werk wordt vergeleken met dat van grote joods- Amerikaanse schrijvers als Saul Bellow en Bernard Malamud. Als je joods bent en je schrijft over de joodse identiteit, dan krijg je dat soort namen naar je hoofd geslingerd. Bovendien: de verhalenbundel The Magic Barrel van Malamud was het eerste boek waarbij Englander het idee had dat het voor hém was geschreven. Maar eigenlijk voelt hij zich geen onderdeel van een joods-Amerikaanse traditie. De generatie van Bellow en Malamud, beiden kinderen van immigranten, was heel erg bezig met de vraag ‘hoe word ik Amerikaan?’ Englander kreeg een tegenovergestelde opvoeding, zijn familie wilde juist dat hij zich niet aanpaste aan het leven in de Verenigde Staten. Hij moest als het ware in zijn New Yorkse sjtetl blijven.

De joodse Argentijnen die in Het ministerie van Buitengewone Zaken beschreven worden, willen niets liever dan het verleden achter zich laten. De machtige families zijn bereid goudgeld te betalen om de sporen van hun armoedige ouders en grootouders uit te wissen; de arme Kaddish laat zichzelf en zijn vrouw door een plastisch chirurg een nieuwe, minder joods aandoende neus aansmeren. Het laatste vormt een mooie parallel met de grotere gruwelen die op hetzelfde moment in Argentinië plaatshebben. Een gezicht veranderen, dat is een vorm van moord, vindt Englander. Het verbreekt de band tussen heden en verleden. De Argentijnse militairen deden dat laatste op grote schaal: zij wisten duizenden mensen uit de keten van generaties.

Op een gegeven moment valt Lillians neus van haar gezicht, omdat de operatie door een klungelige student is uitgevoerd. Er zijn lezers, zegt Englander, die daarin een verwijzing zien naar het beroemde verhaal ‘De neus’ van Gogol – ook al omdat de verhalen uit For the Relief of Unbearable Urges een vergelijkbaar realistisch absurdisme ten toon spreidden. Maar hoewel Englander een fan is van de grote Rus, heeft hij deze echo niet bedoeld. Net zo min als Het ministerie van Buitengewone Zaken een variatie is op Het proces van Kafka. De pogingen van Lillian om op het ministerie van Buitengewone Zaken een habeas corpus in de ontvoeringszaak van haar zoon te krijgen, zijn eerder geïnspireerd door de moedeloos makende bureaucratie van Jeruzalem, waar Englander een tijd heeft gewoond. Het Praag van Kafka kan onmogelijk erger zijn geweest.

Van alle schrijvers die helden voor hem zijn, zegt Englander, is George Orwell nog wel het meest aanwezig in Het ministerie van Buitengewone Zaken. Niet zo vreemd in een roman die gaat over een totalitair systeem, waarin mensen zó bang zijn voor het alziende oog van de regering dat ze de inhoud van hun boekenkast in bad verbranden. Hoewel Englander er nooit op uit was om een even politieke roman als Nineteen Eighty-Four te schrijven, wilde hij wel commentaar geven op het kwetsbare karakter van de waarheid in een dictatuur. Zoals Lillian zegt wanneer ze geconfronteerd wordt met de officiële ontkenning van de hand over hand toenemende verdwijningen: ‘Als iedereen in dezelfde leugen gelooft, is dat dan misschien niet de waarheid?’ Je wilt nu eenmaal geloven dat er dingen bestaan die ontegenzeggelijk waar zijn; anders word je knettergek.

Daarnaast is er nóg een manier waarop Orwells satire op de totalitaire staat terugkomt in Het ministerie van Buitengewone Zaken. Hoe wanhopiger vader en moeder Poznan worden, hoe verder hun ideeën over wat er daadwerkelijk met hun zoon Pato aan de hand is, uit elkaar gaan lopen. Na een ontmoeting met de ‘navigator’ die medeplichtig is geweest aan de nachtelijke vluchten waarbij gevangenen te pletter werden gegooid in de Rio de la Plata, is Kaddish ervan overtuigd dat Pato dood is. Maar hij komt het huis niet meer in als hij Lillian niet bezweert dat hij net als zij gelooft dat hun zoon nog leeft. Een staaltje ‘doublethink’, onderstreept Englander, waar de burgers van Orwells Oceanië trots op zouden kunnen zijn. Alleen ziet Kaddish wel in dat er flink wat gekte voor nodig is om twee conflicterende werkelijkheden naast elkaar te laten bestaan. Behalve in Argentinië anno 1976. Daar is het de praktijk van alledag.

Over doublethink gesproken: Englander voelt er niets voor om partij te kiezen voor een van de twee ouders in zijn boek. Na jaren met ze te hebben doorgebracht in de wereld van de roman, zou het als verraad voelen wanneer hij nu zou verklaren dat Kaddish lijdt aan een overdosis fatalisme, of dat Lillian naïef is om te denken dat Pato nog leeft. Ze kunnen allebei gelijk hebben, het is ondoenlijk voor een auteur om over zijn personages te oordelen. Uit respect voor Kaddish en Lillian heeft hij het einde opengelaten. Het is aan de lezer om te bepalen of de schrijver erin geslaagd is om recht te doen aan zowel de vader als de moeder. Want uiteindelijk is Het ministerie van Buitengewone Zaken evengoed een roman van zoon en vader als van moeder en zoon.

Englander kan zich er ook helemaal niet mee verenigen als je het slot van het boek – Lillian die huilend in een stoel bij het raam wacht tot Pato om de hoek zal komen – leest als een unhappy ending. Het is nogal wat om je eigen kind dood te verklaren. Niemand weet of Pato bij de dodelijke slachtoffers van de vuile oorlog hoort of niet. Zolang er geen onweerlegbaar bewijs van zijn overlijden is, blijft er hoop. Er is altijd hoop. Je hoort vaak genoeg verhalen van Holocaust-overlevers die plotseling worden geconfronteerd met een doodgewaand familielid. Zo is het leven: absurd en wreed. Het wonder zit in de verrassing.