Bladgroentes in bergsoldaten

Het woord eindexamen zegt drie keer hetzelfde: eind, ex en amen. Het is maar één van de vele woordvondsten in het nieuwe Opperlans woordenboek. Een filiaal van het gewone Nederlands waarin je hoorndol wordt.

Alfabet, fotograaf onbekend
Alfabet, fotograaf onbekend

Battus: Opperlans woordenboek. Querido, 100 x 2 blz. €27,95.

Ik sla het boek open en zie het woord entreegeld. Meteen daarachter, bij wijze van omschrijving, neergeteld. Een definitie is het niet, maar toch klopt het op een bepaalde manier wel: op allerlei plaatsen wordt immers entreegeld neergeteld. Daarna volgt in de woordenlijst entropie, met als omschrijving proteïne. Wat hebben die twee dan met elkaar te maken? Daarna volgt enzo, met daarachter zoen en zone. We zijn dus niet in een woordenboek, maar in een anagrammenlijst beland, zo lijkt het. Maar daarna volgt het geweldige woord EO-aria. Er staat geen betekenisomschrijving achter, en ook geen letterdooreenhusseling, maar de mededeling 5-grepig 6-woord. Dat zal wel betekenen: een woord van zes letters, met maar liefst vijf lettergrepen. Dat klopt. Even verderop staat epilepsie, met daarachter de mysterieuze code e3e3e. Die code moet wel betekenen dat er in het woord epilepsie na de eerste e drie andere letters volgen, dan weer een e, dan weer drie andere letters en dan weer een e. Ik weet niet of dat bijzonder is, maar zo ziet het er wel uit: een woord dat, althans in zijn afwisseling van e’s en andere letters, een spiegelwoord is.

Zo moet er aan de buitenkant van elk woord wel wat op te merken zijn, en zo kan elk woord meteen een bijzonder woord zijn – en dat is ook precies de bewering die er van deze woordenlijst uitgaat. Epitrope: geen idee wat het is, en het wordt ons ook niet verteld, maar we weten nu wel dat dit het enige woord in het Nederlands is dat begint met de letters ep en eindigt met de gespiegelde vorm daarvan, pe. Wat zijn epitheta? Dat doet er ook niet toe. Veel belangrijker is de wetenschap dat dit woord drie Griekse letters bevat: pi, èta en thèta.

Ik ben, kortom, beland in het Opperlans woordenboek. En ik ben al na een paar woorden de weg kwijt, dat wil zeggen: de in een woordenboek gebruikelijke weg van woord naar omschrijving, van links naar rechts, van buitenkant naar inhoud, van vorm naar betekenis. In het Opperlans van Battus gaat het daar niet om. ‘Van kracht blijft dat wij ons niet met de betekenis van woorden en zinnen bezighouden. Dat nuttige gebruik zien we de hele dag al. Nederlands is hier met vakantie en toont ons zijn mooiste, onnuttigste, wonderlijkste lichaamsdelen en acrobatentrucs.’ Ik citeer nu uit Opperlans! Taal- & letterkunde, het dikke hoofdwerk uit 2002, waarbij dit nieuwe Opperlans woordenboek een supplement wil zijn.

Wat is het Opperlans? Het is een verdieping, of een filiaal van het gewone Nederlands. Het is wel aardig om nu even het woordenboek van dat gewone Nederlands, de dikke van Dale, te raadplegen. Opperlans wordt sinds 2002 door Battus zelf, de bedenker ervan, gespeld zonder d, en met reden, maar van Dale is het daar blijkbaar niet mee eens en schrijft nog steeds Opperlands: ‘verzameling Nederlandse woorden die een merkwaardige structuur hebben, bv. omkeerbaar zijn, maar één bep. vocaal hebben, een groot aantal medeklinkers achter elkaar bezitten etc.’

Opperlans is dus erg besteed aan mensen die het woord pistache niet kunnen lezen zonder meteen aan pastiche te denken, en bij beneveld aan Barneveld, en bij het werkwoord ijveren aan veerponten die over het IJ varen, de zogenoemde ij-veren (niet te verwarren met kleine kippenveren die nog aan een ei geplakt zitten, want dat zijn ei-veren). Aan lezers die zien dat er in bergsoldaten bladgroentes zitten, en dat in reisneurose geen enkele letter voorkomt die naar boven of beneden uitsteekt. Opperlans is er dus niet voor zinlezers, en zelfs niet voor woordlezers, maar voor letterlezers. ‘Oogreactie, enige woord waarin drie klinkerduo’s om twee medeklinkerduo’s staan.’

Toch denk ik dat ook in het Opperlans de betekenis, en het menselijke verlangen naar betekenis, altijd meespeelt, zelfs bij de meest onzinnige opsommingen. Als achter Noord-Beemster genoteerd staat moederborsten, dan is het erg moeilijk om niet te denken dat met dit anagrammenduo een zinvolle mededeling wordt gedaan, en om niet ook meteen even bij Midden- en Zuid-Beemster te gaan kijken om te zien of daarin niet ook belangrijke lichaamsdelen aanwezig zijn. Er lijkt toch altijd een geheime boodschap of een diepere waarheid op de loer te liggen. De betekenis kruipt waar zij niet gaan kan.

En daarom staat op dezelfde pagina in het Opperlans woordenboek waar ook entreegeld, entropie en epitrope staan, het woord epitaaf. In het normale Nederlands is dat een ander woord voor een grafschrift. Het Opperlans woordenboek vermeldt alleen Paus Raus, wat voor zover ik kan zien helemaal niets met de vorm of de letterwaarde van het woord epitaaf heeft te maken, maar alles met de columnistische neiging van Battus om zich af en toe over de actualiteit te willen uitspreken. De nieuwe paus is een Duitser, Duitsers zijn jarenlang in Nederland niet gewenst geweest, prins Claus kreeg bij zijn komst indertijd te horen dat hij maar beter weer kon vertrekken (Claus Raus) – en dus leek het Battus een geschikt grafschrift voor de huidige paus: Paus Raus.

Op dezelfde pagina nog zo’n geval waar de betekenis wel degelijk een rol speelt – nu juist omdat zij afwezig is. Het gaat om epibreren: ‘Carmiggelt bedacht dit woord, maar vergat betekenis te bedenken.’ Daarachter voegt Battus dan een verwijzing toe naar de pagina in het hoofdwerk waar dit verschijnsel nader, en zelfs enigszins theoretisch, behandeld wordt. ‘Als je een bepaald woord maar vaak genoeg in een tekst herhaalt, dan krijgt het, hoewel totaal betekenisloos en de lezer aanvankelijk onbekend, toch uiteindelijk voor die lezer betekenis.’

Het epibreren van Carmiggelt is er een voorbeeld van. Net als het vaak herhaalde volstrekt zinloze Biebelebons, bekend van onder andere de Biebelebonse berg. Battus geeft vervolgens ook nog een bloemlezing van allerlei andere verwante onzinwoorden in vergelijkbare onzinliedjes, die toch allemaal van harte en vol begrip worden meegezongen, door jong en oud. Dat is dan weer het tegenovergestelde van het verschijnsel dat elk woord, hoe betekenisvol ook, volkomen betekenisloos kan worden als het vaak en snel achter elkaar wordt uitgesproken. Ook daarvan geeft het dikke hoofdwerk veel voorbeelden.

Zo wil dit Opperlans woordenboek een register en een supplement zijn bij het grote boek Opperlans! Taal- & letterkunde. Maar, geheel in de geest van het Opperlans, is het ook meteen een schijnsupplement en een nepregister (1e2e4er). Allerlei verwijzingen ontbreken en een echte registersystematiek is er niet. Waar moet ik zoeken als ik iets wil weten over Opperlanse zinnen van het type ‘Niets werd gered dan tien linnen tepels, een geilplas, en een lul van een predikant in de harige kut van een vinnig pisserswijf’? Een lemma als ‘letterwisseling’ of ‘klankruil’ of ‘vieze woorden’ is niet in het register opgenomen. Uiteindelijk zou je, na veel proberen, bij de woorden geilplas en vinnig de juiste verwijzing kunnen vinden, maar intussen ben je onderweg al zoveel andere interessante woorden en toelichtingen tegengekomen dat je de oorspronkelijke zoekopdracht vanzelf kwijtraakt – daar zorgt deze curieuze woordenlijst wel voor. Het register werkt dus eerder als een antiregister: het verwijst niet door, maar houdt je binnen, en laat je als een verslaafde woordengek van het ene registerlemma naar het andere draven.

Om dat juist te bevorderen heeft Battus zijn registerwoorden aangevuld met allerlei andere aardige Opperlanse woorden, tot een totaal van honderd maal honderd. En omdat er her en der nog wat ruimte overschoot, deed hij er ook nog negenennegentig bladvullingen bij met, zoals hij het zelf noemt, ‘zinloze, maar goede Opperlanse poëzie’. Het gaat dan bijvoorbeeld om de poëzie van naamanagrammen: Bredero? Beroerd! Gorter? Groter! De poëzie van sonnetwoorden, bestaande uit veertien letters. En van sonnetnamen, die ook nog eens van de goede cesuur zijn voorzien: Liesbeth Koenen, Bergkamp Dennis. En van sonnetwoordsonnetten, geheel samengesteld uit sonnetwoorden. De poëzie van schuldige letters; dat zijn letters die er de schuld van zijn dat een woord op twee manieren kan worden uitgesproken: massagebed, dijkramp, rijstrand. De poëzie van de lantaarnpaal: wij dachten vroeger op straat dat er maar drie woorden waren die met een l begonnen en eindigden (lepel, lantaarnpaal en, hoogtepunt, een lichaamsdeel van maar drie letters), maar Battus geeft een bloemlezing van 126 van zulke woorden, gekozen uit een totaal van 676.

Daaromheen en daartussendoor een zee van opperlansigheden, ieder voor zich goed voor een moment van stilte. Wat kan taal toch mooi zijn. Het woord rookgasontzwavelingsinstallatie: het is het langste woord met een l in het midden. Het woord Erschellingt: ‘dit eiland slinkt links en groeit rechts’. Een zogenoemde familiezin: ‘de deken vond kussen en slopen te laken.’ Het woord eindexamen: zegt drie keer hetzelfde (eind, ex, amen). Het verschijnsel woordmot: de ene helft is Nederlands, de andere Frans, en beide helften betekenen hetzelfde (ikje, eten, pontbrug). De naam Bob Thomas: als Bob Dylan aan Dylan Thomas wordt gekoppeld. Verzin nu zelf de ontbrekende schakel in Piet Nero.

Het Opperlans woordenboek is dus ook meteen een echt vakantieboek. Goed voor uren spelplezier, dus ook ideaal voor in de reistas of op de achterbank. Tramkaartje crèmetaartje! Er valt veel te vinden in, en veel plezier te beleven aan dit krankzinnige woordenboek, maar het is ook gevaarlijk. Na ieder kwartier vijf minuten woordrust, om er niet hoorndol van te worden. In een van zijn gedichten voert Gerrit Komrij een karikatuur van een dichter op: ‘Hij zei stad wanneer jij blad zei. / Hij zei held wanneer jij speld zei. / Hij zei ach wanneer jij dag zei. / En daarvan wilde hij leven!’ Het is om te lachen, maar ook om gek van te worden.

Ongeveer op dezelfde manier voert Battus met dit boek een karikatuur van een woordenboekmaker op. Hij zegt ‘heeft slechts één klinker’ wanneer jij luculluscultus zegt. Hij zegt ‘rijmt niet op woekeren’ als jij toekeren zegt. Hij zegt fietskogeltje wanneer jij toegeeflijkst zegt. En als je je dan vermoeid van hem afwendt, roept hij je uit de verte nog na ‘een aannemer is geen uitgever!’, ‘een padvinder is geen spoorzoeker!’ en ‘Rotterdammers zijn geen beterschakers!’