Rijk en de gemeenten weer vrienden

Gemeenten voelden zich tot voor kort behandeld als de kleine kinderen van het Rijk.

Maar de laatste weken is er oud zeer uit de weg geruimd.

Gemeenten en het Rijk zijn hard op weg weer vrienden te worden. Anderhalf jaar geleden wilde de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) het Rijk nog voor de rechter slepen omdat het kabinet het heffen van onroerendezaakbelasting (ozb) door gemeenten wilde inperken. Het was een dieptepunt in de bekoelde relatie tussen het toenmalige kabinet Balkenende en de gemeenten. Gemeenten voelden zich op allerlei terreinen als kinderen behandeld. Ministers gaven steeds weer nieuwe taken aan gemeenten (vaak met bezuinigingen), maar timmerden in de ogen van gemeenten de uitvoering dicht met regels en rapportageverplichtingen, omdat ze het lokale bestuur niet vertrouwen.

Dat lijkt te veranderen. Maandag sloten de VNG en minister Guusje ter Horst (Binnenlandse Zaken, PvdA) een bestuursakkoord waarin onder meer staat dat gemeenten weer zelf mogen beslissen hoeveel ozb ze vragen. Het is een cruciale tegemoetkoming. Gemeenten vinden het zelf mogen heffen van belastingen onmisbaar, zonder eigen geld kan je geen eigen ideeën uitvoeren.

Er is meer oud zeer uit de weg geruimd. Met de pardonregeling voor ‘oude’ asielzoekers is een wens van gemeenten in vervulling gegaan. De invoering van één landelijke politie, door gemeenten met veel argwaan bekeken, is in de koelkast gezet.

Op het VNG-jaarcongres gisteren waren de reacties op het bestuursakkoord dan ook positief. Jelle Dijkstra, gemeentesecretaris van Leudal: „Ik heb nu eindelijk de indruk dat gemeenten niet langer het uitvoeringskantoor van het Rijk zijn. Het vorige kabinet had minder begrip voor onze positie.” Geke Faber, nu burgemeester van Den Helder: „Je merkt dat Ter Horst burgemeester is geweest. Er is veel meer begrip voor gemeenten dan bij het vorige kabinet.” Faber, zelf staatssecretaris tijdens Paars II, heeft ook een waarschuwing. Ter Horst zal merken dat de Tweede Kamer haar toch zal willen afrekenen op wat gemeenten doen.

Respect, vertrouwen in en vrijheid voor gemeenten. Dat was de boodschap van Ter Horst, staatssecretaris Ank Bijleveld (Binnenlandse Zaken, CDA) en Wim Deetman (VNG-voorzitter en burgemeester van Den Haag), die maandag het bestuursakkoord ondertekenden.

Het is ook de boodschap van Jozias van Aartsen, de oud-fractieleider van de VVD. Hij onderzocht in opdracht van de VNG hoe de positie van gemeenten door wetswijzigingen kan worden versterkt. In een rapport dat vandaag openbaar wordt, concludeert hij dat gemeenten veel beter weten wat de problemen van burgers zijn dan het Rijk, en ook beter in staat zijn praktische oplossingen te verzinnen en uit te voeren. Hij noemt als voorbeeld het jeugdbeleid: „Je kúnt vanuit Den Haag geen jeugdbeleid maken. Die minister voor Jeugd en Gezin zit er nu, het is te laat om daar nog wat aan te veranderen. Maar de minister van Binnenlandse Zaken zou in overleg met haar collega’s en de gemeenten moeten kijken wat echt effectief jeugdbeleid nodig heeft.”

De gemeente zou weer „de eerste overheid” moeten worden. „Er is natuurlijk een hoge stapel rapporten met dezelfde analyse”, zegt Van Aartsen. Toch „is de tijd rijp” voor echte veranderingen. „De nood is hoog gestegen. Je kan niet jarenlang zeggen dat het anders moet, en toch niets veranderen.”

De autonomie van gemeenten moet in de Grondwet en de Gemeentewet staan, vindt Van Aartsen: „Den Haag moet gemeenten durven loslaten. De gemeenten op hun beurt moeten van elkaar durven verschillen, we moeten af van het obsessieve gelijkheidsdenken dat nu heerst.” Dat gemeenten verschillen is volgens hem logisch. Want ze worden bestuurd door verschillende politieke kleuren.

Meer geld voor gemeenten is voor de zelfstandige positie van gemeenten essentieel, zegt Van Aartsen. Als er geld te verdelen is „zal de lokale democratie ook spannender worden”. Het bestuursakkoord is „een pril begin”.