Angst voor Chinese beurskrach ongegrond

Zeg niet dat beleggers altijd dezelfde fout maken. Als het over China gaat, lijken zij hun lesje inmiddels wel te hebben geleerd.

Eind februari raakten beleggers in paniek, toen de beurs van Shanghai plotseling 9 procent daalde. De Europese en Amerikaanse aandelenmarkten daalden met een paar procentpunten, omdat handelaren bang waren dat de motor van de mondiale groei het zou laten afweten. Maar de afgelopen week heeft de rest van de wereld met onverschilligheid gadegeslagen hoe de Chinese markt 13 procent kelderde. In Europa, de Verenigde Staten en Japan zijn de koersen juist aangetrokken.

Destijds dachten te veel handelaren dat een scherpe daling van de Chinese markt wel moest betekenen dat er iets mis was met de toestand van de Chinese economie. Maar zij hebben drie maanden de tijd gehad om erachter te komen dat de Chinese markt wordt gedomineerd door slecht geïnformeerde plaatselijke beleggers. De jongste koersdalingen werden uitgelokt door niets anders dan een plaatselijke paniek als gevolg van de verdrievoudiging van de belasting op aandelentransacties.

Een zwakkere Chinese aandelenmarkt is eigenlijk alleen maar goed nieuws voor de mondiale markten. Het Chinese regeringsbeleid om de waarde van de munt laag te houden, biedt de rest van de wereld goedkope importen. Het leidt ook tot een groot handelsoverschot, dat dollars oplevert voor de mondiale financiële markten. Maar als het wisselkoersbeleid onevenwichtigheden in China zelf veroorzaakt, zal de overheid wellicht gedwongen zijn het te herzien.

De duizelingwekkende stijging van de Chinese aandelenkoersen – de beurs van Shanghai klom vorig jaar 123 procent en sinds eind februari nog eens 36 procent – lijkt zeker een onevenwichtigheid. Het overheidsbeleid van het opkopen van buitenlandse valuta’s als die het land binnenkomen, heeft de Chinese burgers voorzien van een groot aanbod aan yuan (de lokale munt). Een deel van dat geld heeft zijn weg naar de aandelenmarkt gevonden.

Beleggers hebben bedacht dat zij zich zorgen moesten maken dat China misschien een scherpe stijging van de waarde van de yuan zou moeten aanvaarden om de speculatieve excessen in eigen land te beteugelen. Zo’n revaluatie zou op de korte termijn slecht zijn voor de mondiale markten. Maar Peking lijkt een manier te hebben gevonden om de dierlijke instincten van de inheemse aandelenbezitters in toom te houden, zonder de koers van de yuan te hoeven aanpassen. Beleggers kunnen dus voorlopig gerust zijn.

Edward Hadas