Jasmin en Osama verlieten Israël om samen te zijn

Zij is een Israëlische, hij een Palestijn. Stiekem trouwden ze drie jaar geleden.

In eigen land hebben ze geen toekomst. „Alleen omdat hij de vijand, het monster is.”

Jasmin Arissar (26, Tanzlehrerin) aus Israel und Osama Zatar (27, Bildhauer) aus PalŠstina, sind verheiratet und dŸrfen in Israel oder PalŠstina nicht leben und versuchen, sich in Berlin ein neues Leben aufzubauen, Berlin-Neukšlln, Mai 2007, Deutschland#
Jasmin Arissar (26, Tanzlehrerin) aus Israel und Osama Zatar (27, Bildhauer) aus PalŠstina, sind verheiratet und dŸrfen in Israel oder PalŠstina nicht leben und versuchen, sich in Berlin ein neues Leben aufzubauen, Berlin-Neukšlln, Mai 2007, Deutschland# Schönharting, Anne;Ostkreuz

Bijna onhoorbaar fluistert Osama Zatar (27) lieve woordjes in het oor van Jasmin Avissar (26).

Het verliefde paar op het mondaine terras in zomers Oost-Berlijn valt nauwelijks uit de toon. Dat hij een donkere Palestijnse moslim is en zij een blanke Israëlische joodse weet hier niemand.

Dichtbij is hoorbaar dat zij Hebreeuws met elkaar spreken.

„De liefde is heel goed voor mijn Hebreeuws”, vertelt Osama, afkomstig uit een dorp bij Ramallah, als hij een shagje heeft gedraaid. Hij leerde de taal van de Talmoed van de menukaarten in de restaurants in Tel Aviv, waar hij als tiener heeft gewerkt, en vooral van Jasmin.

„Raar genoeg spreken we over politieke zaken soms wel in het Arabisch. Ik heb, toen we een tijdje in Ramallah woonden, ontdekt dat ik mij in die taal heel goed kan redden”, lacht Jasmin uit Jeruzalem.

Voor wie Palestijnen en joodse Israëliërs alleen samen ziet in zeer gespannen situaties, vormt het paar een opmerkelijk en ontroerend beeld. Hun samenzijn is uitzonderlijk. Juist daarom zijn zij onbedoeld een bewijs van het gelijk van de Israëlische schrijver Amos Oz, die ter gelegenheid van de veertigste herdenking van de Zesdaagse Oorlog (5 tot 10 juni 1967) constateerde dat er helemaal niets te vieren valt. Want, zegt Oz: „De afgelopen veertig jaar zijn geplaveid met verbrijzelde dromen, gebroken illusies en in rook opgegane idealen.”

Sinds die oorlog zijn 7,5 miljoen joodse en Arabische Israëliërs en 3,5 miljoen Palestijnen door een ijzeren gordijn van prikkeldraad, muren, leger en politie geleidelijk van elkaar gescheiden. De Israëliërs in een steeds welvarender land, het Fort Israël met het verenigde Jeruzalem als „eeuwige, ondeelbare” hoofdstad. En de Palestijnen in omsingelde, in omvang krimpende enclaves.

Israëliërs en Palestijnen zien elkaar bijna alleen nog maar door het vizier van een geweer. Behalve Osama en Jasmin. Zij zijn de gekte ontvlucht.

Zij is danseres, hij beeldend kunstenaar.

Ze ontmoetten elkaar drie jaar geleden in een dierenasiel op een industrieterrein, halverwege Jeruzalem en Ramallah.

Hij deed de honden, zij de katten.

Ze trouwden in het geheim op Cyprus. Meteen daarna gingen ze in Ramallah wonen.

Maar toen kreeg zij geen toestemming meer van het leger om heen en weer te reizen tussen hun huis en haar werk in een café in Jeruzalem. Voor Osama is Israël verboden gebied, dat hij niet meer kan betreden zonder een lange gevangenisstraf te riskeren. Hij is al eens voor dit vergrijp opgepakt.

De situatie werd onmogelijk toen tussen Jeruzalem en Ramallah de afscheidingsmuur verrees – en zij ook niet meer via omwegen naar hem toe kon. Er was zelfs geen spleet meer om door heen te kruipen, zoals Pyramus en Thisbe, het liefdespaar in de Metamorfosen van Ovidius, dat wel konden doen. De Israëlische geheime dienst had kort daarvoor al gedreigd Osama te arresteren als Jasmin en haar familie naar Ramallah bleven gaan.

„Pure chantage was dat”, zegt zij. „Alleen omdat hij de ander, de vijand, het monster is. Ik mag niet van hem houden en hij niet van mij. Daarom zijn wij naar Berlijn gevlucht. We mogen in ons eigen land niet samen een leven opbouwen en een familie stichten, dát is het ware gezicht van Israël. Veertig jaar na de Zesdaagse Oorlog van 1967 zijn we racisten geworden. We hebben alleen maar geleerd nog banger voor elkaar te zijn dan we al waren. Hoe kan het ooit wat worden met Israël als wij anderen blijven onderdrukken en bezetten?”

Osama probeert te nuanceren: „Iedereen verdient aan de bezetting. Ook de corrupte Palestijnse leiders, die het cement leveren om de nederzettingen en de afscheidingsmuur te bouwen.”

Jasmin en Osama voerden vorig jaar een proces tegen de staat, om „het recht om in een democratische staat samen te leven” af te dwingen. Hun Israëlisch-Amerikaanse advocaat Michael Fard heeft er zelfs Shakespeares Romeo en Julia bij gehaald om de rechters in hoger beroep te overtuigen. Op 11 juli behandelt de Hoge Raad hun zaak.

Osama: „Ik zou graag in Israël wonen. Ik behoor tot de Palestijnen die Israël allang aanvaard hebben. Ik vind ook dat de joden recht hebben op een eigen gebied. En het is logisch dat zij dit deel van de wereld hebben uitgekozen.”

Jasmin schudt haar hoofd: „Misschien luisteren de rechters wel naar een blanke, Askenazische joodse die in niets verschilt van hun dochters of kleindochters. Ik kom uit een zionistische familie, heb in het leger gediend en heb een universitaire opleiding, allemaal heel normaal.”

Osama, flegmatieker dan zijn echtgenote: „Vergeet het maar, habibti, mijn schat. Israël is een joodse staat, geen gemengde staat.”

Jasmin: „Dat is het oude zionistische idee waarmee ik ook opgevoed ben. Maar een land voor slechts één bevolkingsgroep past niet meer in deze tijd van globalisering. Het is een onhoudbare gedachte om én joods én democratisch te zijn. Als Israël joods moet blijven, betekent dat dat wij anderen blijven onderdrukken. Dat is niet mijn uitleg van het jodendom. Ik denk dat een land dat zich zo beperkt definieert geen toekomst heeft.”

De historische ironie van hun verblijf in Berlijn – ze wonen sinds twee maanden in een kamer in een wooncollectief van Israëliërs en Palestijnen aan de Karl Marxstrasse in Neuköln – is hen niet ontgaan.

Jasmin: „Ik ken Duitsland het beste door mijn moeder die in Hamburg is geboren en naar Israël is geëmigreerd. Duitsland is het enige land waar ik als Israëlische heel makkelijk een verblijfsvergunning krijg. Zij zullen mij ook nooit wegsturen als ik iets illegaals doe. Het is goed om joods te zijn in Duitsland. Het is hier veiliger en vrijer dan in Israël.”

Terugkeren is geen optie. Vanaf 2008 mag geen enkele Palestijn Israël meer in, ook niet om te werken bij Israëlische bedrijven. Huwelijken tussen Palestijnen en Israëliërs worden op alle mogelijke manieren tegengewerkt. Ongeveer 25.000 paren – hoofdzakelijk Israëlische Arabieren en Palestijnen – leven daarom van elkaar gescheiden door de muur en een onneembare bureaucratie.

Huwelijken tussen Palestijnse moslims en Israëlische joden komen aanzienlijk minder vaak voor. Maar daarvoor geldt dezelfde wet op het burgerschap die samenleven in Israël verbiedt. De meeste gemengde paren zijn naar de VS gevlucht en houden zich stil, weet Jasmin.

Zelf overwegen Jasmin en Osama in Duitsland te blijven. Tenminste, als blijkt dat zij in aanmerking kan komen voor het Duits staatsburgerschap en hij zijn tijdelijke verblijfsvergunning verlengd kan krijgen. Werk vinden is voor beiden een groot probleem.

Ze dromen over Spanje. Ze hebben gehoord dat de Spaanse regering verlaten dorpen op het platteland wil weggeven aan kunstenaars. Een atelier voor hem en een balletschool voor haar, dat zou ideaal zijn. Haar vader, die hen ook nu financieel steunt, wil het project helpen opzetten. Het is duidelijk, er wordt ook veel gemijmerd op die kamer aan de Karl Marxstrasse.

Jasmin: „Spanje. Ja! We missen de zon heel erg. Israël is als je opstaat ’s ochtends zo mooi. Het zou zo’n schitterend land kunnen zijn.”

Osama: „We willen hier weg. Sommige Duitsers zijn niet erg vriendelijk voor Arabieren die Osama heten.”

Jasmin cynisch: „Dat is erg zwak uitgedrukt. Ze zijn als de dood.”

Misschien wordt Ramallah ooit een mogelijkheid als er een Palestijnse staat is opgericht.

Jasmin en Osama, vrijwel tegelijkertijd: „Die staat komt er… ja, op de maan.”

Jasmin: „Niemand gelooft meer in de twee-statenoplossing. Eén land waarin de twee volken die daar thuishoren samenleven zou het beste zijn. Moslims en joden, Israëliërs en Palestijnen – we hebben zo ontzettend veel met elkaar gemeen. Maar dat zal Israël nooit toestaan.”

Osama hoort met een lachje haar idealistische pleidooien aan: „Daarom hou ik zo van haar. We hebben geen land meer, maar wel elkaar, onze families en onze vrienden.” Jasmin omhelst hem. En dan willen zij snel naar huis.