De kibboets is dood, leve de kibboets

De eerste kibboets boden een ‘moreel hoogstaander’ manier van leven. De gemeenschappen moesten met de tijd mee. Nu ziet Shimshon Arad steeds meer jonge, opgeleide mensen naar de hervormde kibbutzim trekken.

Dansende Israëlische kinderen in een kibboets op 1 januari 1948. De eerste kiboetzim trokken idealistische bewoners. Foto AFP Undated and unlocated picture of Israeli children that were orphaned during WW-II dancing the hora, a popular dance among the socialist zionists in a kibbutz in the early days of the state of Israel. The Kibbutzim were a communal agricultural settlements. Israel was founded on 14 May 1948 by the Jewish National Council and was recognized by the United States and the Soviet Union 15 and 17 May.
Dansende Israëlische kinderen in een kibboets op 1 januari 1948. De eerste kiboetzim trokken idealistische bewoners. Foto AFP Undated and unlocated picture of Israeli children that were orphaned during WW-II dancing the hora, a popular dance among the socialist zionists in a kibbutz in the early days of the state of Israel. The Kibbutzim were a communal agricultural settlements. Israel was founded on 14 May 1948 by the Jewish National Council and was recognized by the United States and the Soviet Union 15 and 17 May. AFP

Aan de vooravond van de laatste Israëlische onafhankelijkheidsdag, 14 mei, werd bekendgemaakt dat van de 22.305 joden die in ruim honderd jaar in het land zijn omgekomen – in oorlogen en bij terreurdaden – zo’n 2.200, oftewel 10 procent – leden van kibbutzim waren. Het aantal Israëliërs dat op dit moment in kibbutzim woont is circa 2,5 procent van de totale Israëlische bevolking.

De vraag is hoe het komt dat het aandeel doden uit kibbutzim zo hoog is. In sommige kibbutzim was het percentage gesneuvelden zelfs nog hoger.

Eén technische reden die deze cijfers verklaart, is het uitzonderlijk hoge aantal vrijwilligers uit kibbutzim dat zich meldde bij de actievere eenheden van de strijdmacht – meer commando’s, tankbemanningen en luchtmachtpiloten dan functies in de achterhoede. Dit roept de vraag op waaróm zovelen van hen besloten te kiezen voor die riskantere en gewaagdere opdrachten?

Jarenlang was de Israëlische kibboets een symbool van de nationale herrijzing, een bron van trots die alom belangstelling en bijzondere nieuwsgierigheid wekte. In de wereld van de twintigste eeuw, waarin steeds meer mensen afscheid namen van het leven op de boerderij, begonnen de joden in het land van hun bijbelse voorouders een nieuw soort landleven, dat ze zagen als vervulling van een nationale oproep en als een persoonlijke verlossing. De leden van de eerste kibboets waren zeer gemotiveerde jonge mensen, idealistisch, die hechtten aan gelijkheid en vol toewijding het handwerk op de akker of in de boomgaard deden, in de overtuiging dat dit de ziel zou zuiveren.

In het begin discussieerden ze of ze vrouwen wel als lid van de eerste kibboets moesten toelaten – alsof het een klooster voor monniken was. Al gauw beseften ze dat het zonder vrouwen niet zou werken. De stichters die zich in de eerste kibboets vestigden (1909, Degenia, nabij het meer van Galileï), werden misschien wel bezield door een messiaanse droom. Ze beschouwden landarbeid als een wezenlijke taak, die niet alleen als middel diende om het joodse moederland weer op te bouwen, maar die ook een moreel hoogstaander en gezonder manier van leven bood. Na de diaspora – de Romeinse verdrijving van de joden uit Palestina in de eerste eeuw na Christus – waren bezit en bewerking van land veelal verboden in de landen waar de joden zich vestigden.

De allereerste kibboets predikte misschien nog wel de waarden van de kleine gemeenschap. Maar de kibbutzim die na de Eerste Wereldoorlog werden gevestigd, zagen de grotere gemeenschap als een beter middel tot woestijnontginning en daarmee tot een rechtvaardige en welvarende joodse maatschappij. Maar in toewijding en engagement waren er geen verschillen tussen de kleinere kibboets en de grotere. Vandaar de sterke motivatie en vrijwilligersgeest om nationale taken uit te voeren.

In een vijandige omgeving, fysiek en psychologisch, werd ieders impuls om zijn leven aan de ‘goede zaak’ te wijden sterker. In de hiërarchie van eer en achting stonden diegenen aan de top die uitblonken in de loyale vervulling van de kibboetswaarden en die zich onderscheidden in de strijd en blijk gaven van persoonlijke moed. Geen wonder dat een aantal vooraanstaande bevelhebbers van het Israëlische leger banden had met kibbutzim.

Bewerking van het land, aanplant van boomgaarden en het fokken van koeien en kippen waren in het begin de grote doelen, maar de moderne landbouw vergde minder mensen voor de productie van grotere en betere oogsten. In de jaren vijftig en zestig van de afgelopen eeuw beseften kibbutzim dat ze ook op industrie moesten overgaan, omdat ze anders achterbleven en het niet meer zouden redden. Maar om een industrie op te bouwen zijn ingenieurs en goede managers nodig. De Israëlische economie kon de buitenlandse concurrentie aan als de kibboetsleden van naar universiteiten en technische hogescholen gingen. En als de ingenieurs en de goede fabrieksmanagers niet naar behoren werden beloond, zou het steeds moeilijker worden om ze voor de kibboets te behouden. Idealisme alleen zou niet volstaan.

Maar het privatiseringsproces ging niet van een leien dakje. De heilige ideologische beletselen en de tegenzin om te breken met conventies waren geen stimulans tot hervormingen. Maar de beperkingen van de nieuwe werkelijkheid zijn doeltreffender gebleken dan de heilige maar onbeduidende concepten die voortkwamen uit het begintijdperk van de onschuld. Sommige kibbutzim hebben meer bereidheid tot verandering getoond dan andere. Hetzelfde salaris voor de fabrieksmanager en de ongeschoolde handarbeider was gewoon niet houdbaar. Maar sommige kibboetsleden òf wilden òf konden daar nu eenmaal niet aan. Het werd jarenlang als een daad van patriottisme gezien om ambitieuze jongelui te weerhouden naar een technische hogeschool te gaan, maar moediger mensen beseften dat er zonder goede ingenieurs en goed opgeleide bedrijfsleiders in de kibboets geen industrie zou komen.

Dus werd de aanvaarding van een gedifferentieerd beloningssysteem onvermijdelijk. Oude taboes moesten worden opgeheven, als de kibboets de uitdagingen van de 21ste eeuw wilde overleven en overwinnen. Zo begonnen kibbutzim langzaam maar zeker met de aanpassing en modernisering van hun regels en gedragspatronen. Dat bracht met zich mee dat de ene grote eetzaal van kibboets nog maar een deel van de dag open was en naar keuze kon worden bezocht. Mensen kregen een keuken en de benodigde faciliteiten in hun woning om geheel of gedeeltelijk hun maaltijden klaar te maken.

In het begin leek dit revolutionair. De hervormde kibboets kon niet worden gehandhaafd zoals hij vijftig jaar geleden was. In de begintijd werden de kinderen in kinderdagverblijven grootgebracht en niet door hun eigen moeder en vader, die hen alleen ’s avonds een uurtje konden zien. Dit verouderde – en verkeerde – systeem had tot grote problemen geleid bij de opvoeding van de jonge generatie, zowel tijdens hun jeugd in de kibboets als daarna, als ze die eenmaal hadden verlaten.

In de strijd van de opwindende utopie van gelijkheid en gemeenschapsleven tegenover de koppige aard van de mens, lijkt de laatste te hebben gezegevierd. Als de hervormingen niet waren ingevoerd, dan zou menige kibboets ten dode opgeschreven zijn geweest. De jarenlange uittocht uit de kibbutzim zou tot hun ondergang hebben geleid.

Die tendens in tal van kibbutzim is de laatste tijd gekeerd. We zien een groeiend aantal jonge mensen met een goede opleiding naar de kibbutzim trekken. De nieuwelingen worden aangetrokken door de levenskwaliteit en door de mogelijkheid hun privacy te behouden, in een gerieflijk onderkomen dat ook nog eens minder kost dan in de stad.

Het bijzondere voordeel van de hervormde kibboets schuilt in de vorming van een evenwichtig systeem van prikkels en onderlinge hulp, en van de zorg voor de ouden en de zwakken. De salarissen verschillen tegenwoordig sterk in hoogte, maar de nieuwe structuur die ze allemaal waarborgt heeft de kibboets misschien wel gered, zij het dan ook onder een onmiskenbaar aangepaste structuur en visie.

Shimshon Arad is oud-ambassadeur van Israël.