Verschuren pionier op lange zwemafstanden

Langeafstandsnummers zijn niet populair onder Nederlandse zwemmers. Sebastiaan Verschuren vormt een uitzondering op de regel. „De meeste mensen vinden het saai.”

Amsterdam, 4 juni. - Hij is een eenling in een wereld vol sprinters. Waar zijn meeste collega’s zich na een race van een minuutje weer op de kant hijsen, zwoegt Sebastiaan Verschuren dapper voort tussen de lijnen van het Sloterparkbad. Races van ruim een kwartier zijn weinig sexy in de zwemwereld, in elk geval niet voor het grote publiek. „De meeste mensen vinden dat saai”, zegt Verschuren, 18 jaar pas, maar al in het bezit van de nationale records op de 800 en de 1.500 meter vrije slag. „Jongeren zijn meer gecharmeerd van één baantje sprinten dan tien minuten zwemmen”, beaamt zijn coach Martin Truijens.

Nederland is vooral sprintland. De meeste jongeren kiezen het kielzog van hun grote voorbeelden Pieter van den Hoogenband en Inge de Bruijn, specialisten op korte afstanden als de 50 en 100 meter vrije slag. Maar op nummers als de 400, 800 en 1.500 meter vrije slag komen geen Nederlandse zwemmers meer aan de start op de grote internationale toernooien.

„We hebben die cultuur niet in Nederland”, zegt oud-zwemmer Marcel Wouda, de meest veelzijdige Nederlandse zwemmer ooit. Wouda, nu coach bij het Nationaal Zweminstituut Eindhoven, zwom alles tussen 50 en 1.500 meter. Volgens Wouda was niet hijzelf, maar Henk Elzerman, die in 1976 aan de Spelen in Montreal meedeed, de laatste echte Nederlandse langeafstandszwemmer. „Wij missen dus dertig jaar kennis op dit gebied. Dat kun je wel inhalen, maar zwemtrainingen bestaan voor een groot deel uit wetenschappelijke kennis en het toepassen van die kennis op de individuele zwemmer. Landen als Australië, Engeland en Amerika zijn echt een stuk verder dan wij op dit gebied.”

Wouda, die zelf ooit in Indianapolis met 14.46,16 een wereldtijd zwom op de 1.650 yards (1.509 meter) in een 25 yard-bad, noemt de lange afstanden een „andere tak van sport”. Hij vond het alleen leuk als hij „heel goed” was. „In mijn beste jaren kon ik spelen met mijn tegenstanders op die lange afstanden. Heerlijk, dat gevoel van macht.” Als coach heeft hij bewondering voor jonge pioniers als Sebastiaan Verschuren, die hij tot voor kort zelf begeleidde. „Als zwemliefhebber vind ik het mooi als iemand zich stort op de 1.500 meter, ook al is het niet het meest aantrekkelijke nummer.”

De populariteit van de sprintnummers is deels te danken aan de successen van Van den Hoogenband en De Bruijn, maar volgens Wouda zijn er meer redenen. Voor de estafettenummers, zoals de 4x100 meter, gaan soms zes zwemmers mee naar een groot kampioenschap. „En de estafetterichttijden liggen ook nog eens 1 of 2 procent boven de individuele richttijden”, zegt Wouda. „Dus dat maakt het wel aantrekkelijk om je op die afstanden te richten. Je kunt je ook met de vijfentwintigste tijd van de wereld nog kwalificeren.”

Verder blijkt het voor jongeren vaak moeilijk op jonge leeftijd voldoende trainingsarbeid te verrichten. Wouda: „Als je goed wilt zijn op de langere afstanden, moet je basisuithoudingsvermogen goed ontwikkeld zijn. Daarvoor moet je in een zeer gevoelige fase in je carrière, tussen 13 en 18 jaar, de trainingsomvang uitbreiden van acht uur tot zestien uur, zoals ik heb kunnen doen met Sebastiaan. Hij is klaar om verder te gaan.”

En Verschuren, die nu traint bij het Nationaal Zweminstituut Amsterdam, staat niet meer alleen. Jongeren als Arjen van der Meulen, Maaike Waaijer, Linsy Heister en Alex Schelvis trekken zich op aan zijn prestaties, al zwemmen Heister en Schelvis vooral ‘marathons’ in open water, zoals tijdens de laatste WK in Melbourne.

De aandacht voor de lange nummers werd enkele jaren geleden gevoed door richtlijnen van de KNZB, zegt Truijens. „Als clubs en coaches zich daaraan houden gaat dat iets opleveren, maar ik verwacht dat pas vanaf 2012.”

Sebastiaan Verschuren wil zo lang niet wachten; hij wil naar Peking. Maar hoewel hij gisteren op zijn sloffen de titel op de 1.500 meter won, viel zijn tijd tegen: 15.46,89. Vrijdag had hij ook de 400 vrij gewonnen.

Verschuren koos nooit bewust voor de lange nummers. „Toen ik 12 was zwom ik mijn eerste 1.500 meter. Die won ik. Zo rolde ik erin.” Status of geen status, hij geniet van zijn werk, met weken van ruim zestig kilometer. Hij hoopt wel dat het publiek ‘zijn’ 1.500 meter nog eens gaat waarderen. Zoals de Australiërs op de banken staan voor wereldrecordhouder Grant Hackett. „Zij vinden dat geweldig, die nummers. Misschien krijgen wij dat ook nog eens.”