Passeerde niets als die pijn

Piet Hein, Karel Doorman, Willem de Zwijger en Michiel de Ruyter zijn bekende namen uit onze vaderlandse geschiedenis. Maar tal van Nederlanders haalden de geschiedenisboekjes nooit. Eerste deel in een ‘anti-canon’ belicht Fredrik le Grand.

Wie beroemd werd, heeft vaak de omstandigheden mee gehad. Zoals de meesten van ons weten, lukt het zelden met alleen maar moed, talent of kracht.

Jan van Speijk bijvoorbeeld was waarschijnlijk onbekend gebleven als het op 5 februari 1831 toevallig niet zo gestormd had. Want daardoor werd zijn boot tegen een kade geworpen, die vol stond met dreigende Antwerpenaren, en besloot de admiraal zijn sigaar in een kruitvat te gooien, onder het motto ‘dan liever de lucht in’. En wie had ooit van Bonifatius gehoord als niemand hem de hersens had ingeslagen? Om in de historie voort te leven, moet je ook een beetje geluk hebben.

Fredrik le Grand had dat niet. Hij had geen successen om te boeken en zijn offer was niet spectaculair. Hij werd in 1691 in Amsterdam gedoopt, de vijfde in een gezin van tien kinderen. Zijn vader was koopman, en ‘later boekhouder-generaal aan de kuste van Guinea’ volgens een losse aantekening in een dossier van het Genealogisch Bureau. Fredrik ging in 1715 naar diezelfde kust, waar de West Indische Compagnie goud, slaven, ivoor en andere zaken kocht. Hij begon er als assistent in het ‘huis van negotie’ in het fort St George d’Elmina, dat het hoofdkantoor was van de WIC, in het huidige Ghana. Twee jaar later maakte hij promotie. Directeur-generaal Hieronimus Haringh stuurde hem naar het kleine fort Rio Formosa in Benin, waar de WIC de handel in Arabische gom wilde uitbreiden. Die kon geleverd worden door de koning van Benin, Akenzua I.

Volgens Beninse historici was hij de rijkste koning die daar ooit op de troon heeft gezeten. Hij hield de duivel op afstand met mensenoffers en verlokte de regengoden met maagden op een spies. Jegens de jonge Le Grand liet hij zijn autoriteit ook gelden. Hij liet hem soms dagen wachten voor hij op audiëntie mocht komen, en was een taaie onderhandelaar. Dat weten we uit het Journaal dat Le Grand via Elmina opstuurde aan de Vergadering der Tienen in Amsterdam.

Het dagboek loopt van 25 maart tot 25 augustus 1717. In die hele periode zijn er twee of drie dagen waarop Le Grand een bladzij volschreef, over zijn moeilijke gesprekken met de koning die maar geen gom en ‘tand’ wilde leveren, hoewel hij er al kralen, koper, zijde en damast voor ontvangen had.

De rest van het journaal is huiveringwekkend leeg: donderdag 1 april – kwam een fiad [een functionaris van de koning] met eenige betaalinge van Gom en paanen [Afrikaanse lappen stof].

vrijdag 2 april – passeerde niets

zondag 4 april – hielden ordonaire godtsdienst

maandag 5 april – een fiad met betaalinge van Gom en paanen

dinsdag 6 april – passeerde niets. [...]

maandag 26 dito – passeerde niets.

dinsdag 27 dito – als boven en kreeg wat paanen tot betaaling. [...]

maandag 10 mei – een groote pijn aan de mond met een groote swellinge des keelen aangesiekt.

woensdag 12 dito – passeerde niets als die pijn en de geswelte nam toe.

vrijdag 14 dito – passeerde niets als de mond en wang bleeffen als voren en de gaaten int been verslimmerden.

zaterdag 15 dito – passeerde niets.

zondag 16 dito – als boven en hielden ordinaire godsdienst.

Fredrik ondertekent met ‘uw onderdaanige en gehoorzame dienaar’. Ja, daarvan moesten de compagnieën het wel hebben. Na 25 augustus is de naam van Le Grand niet meer te vinden in de archieven. Dat wil zeggen, wel op lijsten van personeel van de WIC, maar niet meer als auteur van een brief of een notitie.

Het lijkt erop dat Le Grand die maanden in 1717 tijdelijk meer verantwoordelijkheid heeft gehad, tot de opper-commies Revixit van Naerssen naar Rio Formosa kwam. De gomhandel deed het toen goed en Fredrik was er nog twee of drie jaar bij. In 1719 werd hij overgeplaatst naar fort Batenstein te Boutry, niet ver van Elmina. Daar werd hij na enige tijd commies. Maar zijn naam komt daarna nog maar eenmaal voor, op de lijst van overledenen te Boutry, in 1721.

Het zal wel malaria zijn geweest. Dertig jaar geworden en zijn ‘moment of fame’ waren de maanden dat hij officieel kon melden dat er niets passeerde.