Veertig jaar na de zege: Israëliërs zijn bekaf en willen niet meer sterven voor een verloren zaak

Israël heeft de Zesdaagse oorlog in 1967, volgende week veertig jaar geleden, overtuigend gewonnen. Maar die zege heeft de ideologische bezetenheid aangewakkerd. Een verkeerde interpretatie van het zionisme staat vrede tussen Israël en de Palestijnen, het hoofdprobleem na 1967, in de weg.

Salomon Bouman

Oud-correspondent in Tel Aviv van NRC Handelsblad. Auteur van ‘Israël achter de schermen’.

De zes dagen van oorlog in juni 1967 hebben Israël wezenlijk veranderd. Het kleine, door Egypte, Syrië en Jordanië omsingelde joodse land, nog angstig door de herinnering aan de Holocaust, werd ineens een imperium.

Israël drong zich aan de Arabische wereld op door een eclatante zege op het slagveld. Op 6 juni brak de oorlog uit, en binnen een paar dagen stonden Israëlische tanks in het zuidwesten aan de oevers van het Suezkanaal, in het noorden niet ver van Damascus op de hoogvlakte van Golan, en in het oosten aan de rivier de Jordaan.

Tot verbijstering van de leiders in het Kremlin beten Egypte en Syrië, belangrijke steunpunten voor de invloed van de Sovjet-Unie in het Midden-Oosten, in het zand. In Washington gingen de ogen open voor de nieuwe realiteit. Israël, voor het eerst krachtig gesteund door de Verenigde Staten, werd een belangrijke speler in de Koude Oorlog. De Israëlisch-Amerikaanse alliantie is sedertdien een van de dominerende machtspatronen in het Midden-Oosten.

Israëls verbluffende zege veertig jaar geleden was veel meer dan een strategisch keerpunt in het Midden-Oosten. Die zege had een messiaanse uitstraling en heeft Israëls kijk op de buitenwereld vertroebeld, waardoor Israëls leiders geen realistische toekomstvisie konden ontwikkelen ten aanzien van de veroverde gebieden. Het werd hun wel ook makkelijk gemaakt een beslissing uit de weg te gaan: kort na de oorlog besloten de Arabische leiders in Khartoem Israël niet te erkennen, er niet mee te onderhandelen en geen vrede met de joodse staat te sluiten.

Nauwelijks een kwart eeuw na de Holocaust werd de overwinning in een golf van messiaanse emoties gevierd als de ontsnapping aan een nieuwe holocaust, nu niet op Europese bodem maar in het ‘beloofde land’. Het was een begrijpelijke emotie, zeker voor iemand als ik die als onderduikkind in de Haarlemmermeer de Holocaust heeft overleefd. Maar het gevaar was dat het zionisme op een dwaalspoor zou kunnen raken indien deze messiaanse emotie zou leiden tot een poging de veroverde gebieden in te lijven. En dat is precies wat is gebeurd en wat tot de bron van veel ellende heeft geleid – voor zowel Israëliërs als Palestijnen.

Door die gewonnen oorlog konden de joden na tweeduizend jaar terugkeren naar de Tempelberg, naar de Klaagmuur, naar Judea en Samaria (de Westelijke Jordaanoever), de bakermat van het joodse volk. Seculiere en religieuze Israëliërs vierden in extase het feest van de goddelijke zege.

„Wij zagen de voorspellingen van de profeten uitkomen”, vertelde de hoofdlegerrabbijn Shlomo Goren me kort nadat hij aan de voet van de Tempelberg de ramshoorn had geblazen. „Ik had messiaanse gevoelens. Ik stond voor de Klaagmuur en brak de ijzeren ketting die de toegang tot de Tempelberg versperde. Ik kreeg het gevoel dat ik niet meer met mijn benen op de grond stond. De hemel bliksemde. Het was een soort licht dat ik nooit eerder had gezien. Iedere steen van de Klaagmuur zag eruit als een diamant. Misschien was het een illusie, maar ik heb het wel gezien.”

Maar de Kassamraketten waarmee de Palestijnse fundamentalistische Hamas veertig jaar na de historische zege het zuidelijke Israëlische stadje Sderot aanvallen vanuit de door Israël unilateraal ontruimde strook van Gaza, zijn geen illusie. Het ‘licht’ dat rabbijn Goren zag heeft Israël te lang verblind voor de Palestijnse realiteit. De stemmen die waarschuwden voor de gevaren die kleefden aan de ontkenning van de Palestijnse realiteit, verstomden in de overwinningsroes. Het was te voorzien dat Israël daardoor in grote moeilijkheden zou geraken.

De verovering van de Sinaïwoestijn op Egypte en de hoogvlakte van Golan bracht Israël niet of nauwelijks contact met de lokale bevolking: de Syrische bevolking op de Golan-hoogvlakte werd verdreven of vluchtte, en de Sinaïwoestijn was dun bevolkt, met vooral bedoeïenen. Daarentegen werd door de veroveringen van Oost-Jeruzalem en de Westelijke Jordaanoever in 1967 de Palestijnse problematiek een existentieel vraagstuk voor de Israëlische samenleving.

Na een moeilijke oorlog in 1973 heeft Israël de Sinaïwoestijn ingeruild voor een kille vrede met Egypte. In de jaren negentig heeft Israël ook op het punt gestaan vrede met Syrië te sluiten en de hoogvlakte van Golan op te geven. De joodse staat heeft zich echter vastgebeten in wat nu in de internationale terminologie de ‘Palestijnse gebieden’ worden genoemd die in 1967 in Israëls handen vielen.

„We zitten nu met het Palestijnse puin van onze overwinning in 1967”, zei een bekende Israëlische journalist onlangs. Dit had voorkomen kunnen worden indien Israëls leiders hadden ingezien dat een conflict met de Palestijnen door de sluipende annexatie van de Westelijke Jordaanoever en de inlijving van Oost-Jeruzalem onvermijdelijk was. Door deze inschattingsfout en door de ontkenning van de Palestijnse realiteit werd de stichting van nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever (Judea en Samaria) in Israël beschouwd als een natuurlijke voortzetting van het zionisme. Het is naar mijn diepste overtuiging deze interpretatie van het zionisme die de vrede tussen Israël en de Palestijnen in de weg staat.

Een ongelukkige combinatie van veiligheidsoverwegingen en ideologische bezetenheid heeft er toe geleid dat een Israëlisch-Arabische vrede wordt geblokkeerd door de Palestijnse kwestie. Tussen Israël en de Palestijnen in Oost-Jeruzalem en de Westelijke Jordaanoever heeft zich een typische koloniale situatie ontwikkeld. De gekoloniseerde Palestijnen zijn in opstand gekomen tegen hun Israëlische meesters – zoals de Indiërs tegen de Engelsen, de Algerijnen tegen de Fransen en de Indonesiërs tegen Nederland. Deze opstand was in het postkoloniale tijdperk onvermijdelijk. De Palestijnen kwamen in verzet tegen het verlies van land aan de Israëlische nederzettingenpolitiek. Zij vreesden terecht dat de optie van Palestijnse onafhankelijkheid hierdoor in gevaar zou komen.

Het heeft twintig jaar geduurd, tot de eerste intifada in 1987, voordat de Palestijnen in 1987 zich opwierpen als een voor onafhankelijkheid strijdende collectiviteit.

Aanvankelijk bestond er ‘zacht’ contact tussen de Israëlische bezetter en de Palestijnse bevolking. Op vrijwel alle terreinen heeft dit contact met de Israëlische democratie de Palestijnen bevrucht. Honderdduizenden Palestijnen uit de bezette gebieden vonden werk in de Israëlische bouw, landbouw en allerlei dienstverlenende beroepen. Ze werden onderbetaald, maar de levensstandaard steeg, vooral in de grote Palestijnse vluchtelingenkampen. De Palestijnse arbeiders leerden betrekkelijk snel modern Hebreeuws, kwamen in contact met de Israëlische persvrijheid en kregen oog voor de werkwijze van de Israëlische democratie en het juridische systeem. In die dagen verschenen – in wat in Israël een liberale bezettingspolitiek werd genoemd – Palestijnse kranten (wel onder Israëlische militaire censuur) en werden enkele Palestijnse universiteiten geopend. Daarvan zijn de universiteit in Bir Zeit, Al-Najah en de Al-Quds universiteit de belangrijkste. Op de campus ontmoetten studenten uit de Palestijnse steden en uit meer dan vierhonderd Palestijnse dorpen elkaar. Uit deze contacten is het seculiere leiderschap van de eerste intifada voortgekomen.

Deze spontane Palestijnse volksopstand was een begrijpelijke uitbarsting tegen de agressieve Israëlische nederzettingenpolitiek sedert de macht in Jeruzalem in 1977 in handen kwam van de charismatische, ideologisch bevlogen Menahem Begin, de leider van Likud. In zijn overwinningstoespraak beloofde hij het Israëlische volk dat er honderden nederzettingen zouden komen in het historische joodse vaderland, Erets-Israël. Begin was diep doordrongen van een stroming in het zionisme volgens welke Judea en Samaria onafscheidelijke delen van het Land van Israël, Erets-Israel, zijn. Om die reden verzette hij zich in 1947 tegen het door de VN aanvaarde delingsplan voor Palestina. Als premier zette hij zich om dezelfde ideologische reden in zo snel mogelijk zoveel mogelijk nederzettingen in het Land van Israël te stichten.

De Arbeidspartij, onder wier bewind de oorlog in 1967 werd gewonnen, had zich onthouden van het stichten van nederzettingen in dicht door Palestijnen bevolkte gebieden op de heuvelrug die loopt van Jenin, Ramallah, Jeruzalem en Bethlehem naar Hebron. Premier Begin schond die regel zonder ook maar de geringste notie te hebben van de Palestijnse realiteit. Zijn kortzichtige politiek heeft het Palestijnse nationalisme aangewakkerd. Slechts tien jaar nadat hij zijn ideologie van de ondeelbaarheid van ‘Het land van Israël’ op de Palestijnse gebieden had losgelaten, brak tot verbazing van de veiligheidsdiensten en de politiek de eerste intifada uit in 1987. De Israëlische veiligheidsdiensten konden dit verschijnsel om ideologische redenen niet interpreteren doordat het idee van een Palestijnse collectiviteit werd ontkend en er dus van een Palestijnse volksopstand geen sprake kon zijn.

Politici van enkele kleine linkse partijen en de Vrede-Nu beweging oefenden scherpe kritiek uit op de stichting van steeds meer nederzettingen in bezet gebied. In de media nam en neemt de krant Ha’aretz stelling tegen deze politiek. Invloed op de politiek in Jeruzalem hebben deze politici en de krant niet gehad. De ideologische tegenkrachten waren te sterk.

De ook messiaans beïnvloede socialisten hadden kort na de oorlog van 1967 Oost-Jeruzalem geannexeerd, een begin gemaakt met Israëlische stedenbouw rond Jeruzalem, en om strategische redenen nederzettingen opgezet in de dunbevolkte Jordaanvallei. Bij Hebron, bij de graven van de aartsvaders, verrees tijdens het socialistische bewind wel een joodse nederzetting, Kyriat Arba. David Ben Goerion, de stichter van de staat Israël, sprak zich tegenover mij uit tegen nederzettingen in de bezette gebieden en annexatie van de Westelijke Jordaanoever. Hij voorzag dat ‘goedkope’ Palestijnse arbeid de fundamenten van de zionistische onderneming zou ondermijnen. ‘Joodse arbeid’ was immers een van de basisprincipes van de zionistische revolutie. Ontdaan van politieke macht was Ben Goerion na 1967 een roepende in de woestijn. Zijn visie was juist, maar er werd niet naar hem geluisterd. En anno 2007 kan de Israëlische landbouw niet draaien zonder arbeiders uit Thailand.

De Israëlische politiek tot 1977 fluctueerde van Palestijnse bestuursautonomie tot de ‘Jordaanse optie’. Palestijnse onafhankelijkheid stond niet op de Israëlische agenda. Politici in de Arbeidspartij die zich al begin jaren zeventig uitspraken voor onderhandelingen met de PLO en de stichting van een Palestijnse staat, werden ruw aan de kant gezet door premier Golda Meir. Zij ontkende stelselmatig het bestaan van een Palestijns volk. Haar anti-Palestijnse politiek, sterk beïnvloed door de Palestijnse terreur tegen Israëlische burgers in en buiten Israël, heeft de mogelijkheid tot vroegtijdige toenadering tussen Israël en de Palestijnen gefrustreerd.

Het idee van Palestijnse bestuursautonomie keerde terug in een ‘annex’ van het vredesverdrag dat Israël en Egypte in 1979 sloten. Onderhandelingen erover liepen op niets uit, maar daardoor kwam het vredesverdrag niet in gevaar. Meer dan lippendienst hebben Egypte en andere Arabische staten niet aan de Palestijnse zaak bewezen. In die jaren werd een democratische, seculiere Palestijnse staat in Riad, Amman en elders gezien als een potentieel gevaar voor de eigen autocratische regimes.

Hoe centraal die Palestijnse problematiek is geworden, blijkt uit het feit dat de oorlogen die Israël sedert 1973 heeft gevoerd, daarom draaiden. Ze liepen overigens allemaal slecht af voor Israël.

In 1982 begon Israël de eerste Libanese oorlog, tegen de PLO-ministaat in Zuid-Libanon. PLO-leider Yasser Arafat werd uit Beiroet naar Tunis verbannen. Maar de gevolgen van deze oorlog pakten negatief uit voor Israël – en waren niet voorzien. Uit de Israëlische bezetting van Zuid-Libanon is Hezbollah geboren, zoals Hamas door Israël in Gaza werd getolereerd als tegenwicht tegen de PLO. Ook leidde deze bezetting tot door Iran geïnspireerd verzet van de shi’itische Hezbollah. Uit het uitspelen van Hamas tegen de PLO is het gewapend verzet van Hamas tegen Israël geboren. In 2000 besloot premier Ehud Barak het leger in één nacht uit Zuid-Libanon terug te trekken. Daar waren toen duizend Israëlische soldaten gesneuveld.

De eerste intifada leidde in 1993 tot het historische akkoord van Oslo tussen Israël en de PLO. De essentie ervan is wederzijdse erkenning en de optie van Palestijnse onafhankelijkheid. Israël deed eindelijk zijn oogkleppen voor de Palestijnse realiteit af. Het was het juiste besluit, dat indien eerder genomen veel ellende had kunnen voorkomen.

Maar lang duurde de vreugde erover niet: premier Rabin werd in 1995 vermoord, Likud kwam onder Benjamin Netanyahu weer aan de macht, de oogkleppen gingen weer voor en het akkoord van Oslo werd vakkundig ondermijnd, met als argument de aanhoudende Palestijnse terreur.

Net als Menahem Begin gelooft Netanyahu in de ondeelbaarheid van het land van Israël. Bovendien is hij ervan overtuigd dat de Palestijnse revolutie uit is op de vernietiging van de joodse staat. Om deze redenen was hij fel tegenstander van het akkoord van Oslo.

Zijn opvolger, de socialist Ehud Barak, slaagde er in Camp David en onder auspiciën van president Bill Clinton niet in tot een akkoord te komen met de Palestijnse leider Yasser Arafat. De kwestie Jeruzalem en de terugkeer van Palestijnse vluchtelingen stonden een akkoord in de weg.

Tijdens de tweede intifada nam Likud-leider Ariel Sharon het stokje over van Barak. Sharon kwam tot twee belangrijke conclusies: een akkoord met de Palestijnen is onhaalbaar en de Israëlische greep op alle bezette gebieden in de strook van Gaza en op de Westelijke Jordaanoever is onhoudbaar.

Tot ontsteltenis van sterke nationalistische stromingen besloot hij tot unilateraal terugtrekken uit de strook van Gaza en grote delen van de Westelijke Jordaanoever. Aan het uitvoeren van ontruiming van delen van de Westelijke Jordaanoever is hij niet toegekomen doordat hij in coma raakte. Daarentegen liet hij met geweld achtduizend kolonisten uit de strook van Gaza evacueren.

Sharons unilateraal terugtrekken blijkt een fatale vergissing te zijn, doordat hij het Palestijnse gezag in Ramallah negeerde. Hamas eiste de Israëlische vlucht uit Gaza op als een zege voor haar strijd tegen de langdurige Israëlische bezetting. Met kleine doch dodelijke Kassamraketten zet Hamas vanuit Gaza de strijd tegen Israël voort.

Tegen de aanhoudende Palestijnse zelfmoordterreur in Israëls steden bouwde Israël een veiligheidsmuur/hek die hier en daar tot diep in Palestijns gebied snijdt. De nederzettingenpolitiek gaat door, zoals ook ten tijde van het akkoord van Oslo het geval was.

Desalniettemin is Israël er niet in geslaagd de demografische verhoudingen tussen joden en Palestijnen in bezet gebied en in ‘Groot-Jeruzalem’ in zijn voordeel te wijzigen. Uiteindelijk zit er voor Israël niets anders op dan het aanvaarden van een Palestijnse staat in de bezette gebieden, met Oost-Jeruzalem als hoofdstad. Langzaam maar zeker wordt de Israëlische publieke opinie er rijp voor gemaakt, vooruitlopend op het politieke beslissingsproces in Jeruzalem.

Het geloof uit 1967, dat er een messiaans tijdperk is aangebroken, is vrijwel gedoofd. Het Israëlische volk heeft sinds de twee intifada’s een metamorfose ondergaan. Bovendien is met de ondergang van de kibboetsethiek, met de opkomst van het kapitalisme en de ongelijk verdeelde welvaart de hunkering naar vrede bij velen oprechter dan ooit. De Israëliërs zijn bekaf van de oorlog tegen de Palestijnen. Zij willen, gelukkig, niet meer sterven voor een verloren zaak.

Zie ook Zaterdags Bijvoegsel, Een rampzalige overwinning,pagina 39