Italo Svevo: de lange weg naar een meesterwerk

Meer dan tien keer las Maria Stahlie Bekentenissen van Zeno van Italo Svevo.

Mijn tiende held, de Triëster schrijver Italo Svevo (1861-1928), heeft voor zijn heldenstatus de ogenschijnlijk smalle basis van één enkel boek: Bekentenissen van Zeno (1923). Maar als dat ene boek een bevrijdend boek is, geschreven door een bevrijd man, een boek dat gonst van het plezier in geraffineerde, dóórdringende gedachtengangen die - ongeforceerd - de veelzijdigheid van gebeurtenissen in een mensenleven zichtbaar maken, dan ziet die basis er al heel wat minder smal uit.

Toen ik de laatste bladzijde van Svevo's Bekentenissen voor de eerste keer had gelezen, was het ondenkbaar om de wereld van Zeno Cosini alweer als een gesloten boek te beschouwen en daarom sloot ik het boek niet maar keerde ik op staande voet terug naar de eerste bladzijde zodat ik gewoon verder kon lezen. Zeno Cosini is voor Svevo het ideale vehikel om zijn buitengewoon leergierige en beweeglijke geest alle kanten op te laten waaien, om een compositie als een grillig lint te verwezenlijken die zich spectaculair onderscheidt van de klassieke structuur waar de meeste romans in die tijd onder gebukt gaan. Voorafgaand aan zes grote wervelende hoofdstukken wordt duidelijk dat Zeno zijn levensverhaal opschrijft op verzoek van zijn psychiater die zo'n relaas beschouwt als een goede voorbereiding op de psychoanalytische behandeling (een noviteit in die jaren) die hij heeft voorgesteld en die Zeno - een hypochonder, een rookverslaafde, een ziekelijke twijfelaar, een man zonder wilskracht maar van goede wil - moet genezen van al zijn kwalen. Algauw wijdt de patiënt zich vol gusto aan de opdracht, hij stort zich met overgave op het voorbereidende zelfonderzoek. Het relaas bestrijkt de belangrijke episoden uit zijn leven: zijn oeverloze pogingen om van het roken af te komen (resulterend in ontelbare 'laatste sigaretten'), het sterfbed van zijn vader (die hem bij het uitblazen van zijn laatste adem per ongeluk een klap op zijn wang verkoopt), zijn kluchtig verlopende pogingen om met een van de drie Malfenti-dochters te trouwen (tegen al zijn bedoelingen in slaat hij de schele Augusta aan de haak), zijn huwelijksjaren en zijn weerloosheid in het overspel, zijn van ieder inzicht gespeende ondernemingen in het zakenleven (waar hij door stom toeval toch successen boekt). Het hele boek laat zich lezen in het licht van de komische paradox die erop neerkomt dat Svevo's hoofdpersoon, kopje-onder gaand in zijn zelfanalyse, er tegelijkertijd zeker van is dat de psychoanalyse de middelen ontbeert om een mens tot zelfkennis te brengen. Het relaas maakt ook duidelijk dat Zeno's mislukkingen de goede bedoelingen die het lot met hem heeft niet in de weg staan: de schele Augusta blijkt een echtgenote uit duizenden, zijn zaken leggen hem geen windeieren en zijn ontsnapping aan de psychoanalyse geeft hem vrede met onder andere zijn rookverslaving.

Ik heb Bekentenissen van Zeno inmiddels meer dan tien keer gelezen. Het wonderlijke is - was en zal zijn - dat het boek bij iedere nieuwe lezing onbetreden en vers blijkt - bleek en zal blijken - te zijn. Alleen al om die reden is deze roman een roman zonder weerga. Aan welke voorwaarden, zo vraagt een lezer zich onontkoombaar af, moet een schrijver in hemelsnaam voldoen om rond zijn zestigste levensjaar zo'n autonoom boek te kunnen schrijven?

Een van de belangrijkste voorwaarden waaraan Italo Svevo in ieder geval moest voldoen was het schrijven van twee boeken die - hoewel ze geheel tegemoet kwamen aan de toentertijd heersende naturalistische smaak - volkomen genegeerd zouden worden. Nadat het bloeiende bedrijf van zijn vader bijna failliet was gegaan werkte Svevo vanaf zijn achttiende als correspondent Duits op een bank, waar zich tussen de bedrijven door zijn literaire ambities ontwikkelden: hij wilde een befaamd schrijver worden. Als kind van zijn tijd kon hij niet om Schopenhauer heen en in het verlengde van diens sombere ideeën werd volgens zijn vriend en stadgenoot Silvio Benco het boek Müde Seelen (Benco kon zich niet meer herinneren wie het boek geschreven had) een voorbeeld voor Svevo 'vanwege de grijze, vlakke, obstinate toon, het pessimisme zonder uitweg in tragedie of handeling, zonder een zweempje vreugde of levenslust. Dit was de grondtoon waarnaar ook hij streefde'. Svevo's eerste twee boeken, Una Vita (1892) en Senilità (1898) konden waarschijnlijk goed wedijveren met Müde Seelen want ze blonken uit in trieste innerlijke levens en sombere, tragische verwikkelingen. Dat de twee romans geen weerklank vonden, raakte hem zeer. Om rond zijn zestigste met het schrijven van de soevereine Bekentenissen te kunnen beginnen, behoorde het na zijn tweede publieke débacle tot de voorwaarden dat Svevo het voor hem hartverscheurende besluit nam om de literatuur voor altijd de rug toe te keren.

Twintig jaar lang leidde Ettore Schmitz (de ware naam van Zeno's schepper) vervolgens een leven ver verwijderd van de literaire wereld.

Zijn aanvaarding van deze definitief lijkende verbanning was vanaf het begin niet verbitterd. Hij was werkzaam in het familiebedrijf (onderwaterverf) van zijn schoonouders en had goede contacten zowel met zakenlieden als met de arbeiders in de fabrieken die hij inspecteerde. Het werd zijn gewoonte om een paar maanden per jaar naar Londen te gaan voor de zaak. In een dagboekaantekening merkt hij op: 'Het lijdt geen twijfel dat de Engelsen een grote behoefte hebben aan geestelijke activiteit. Die wijden ze aan de politiek, aan het recht en wie niet toekomt aan deze twee hoogste vormen van activiteit, aan zijn Hobby, verzamelingen zonder belang (...) Er was voor mij één omstandigheid die van bijzondere waarde was tijdens mijn verblijven in de voorstad van London: de afwezigheid van elke vorm van literatuur.' Zijn prettige ervaringen met het werken en leven in Engeland zorgden er volgens hemzelf voor dat zijn berusting steeds opgewekter van aard werd. Bovendien had hij ook nog een stok waarmee hij de literatuur buiten de deur kon houden: de strijkstok. Vele jaren lang besteedde hij zijn ledige uren aan het vioolspel. 'Ik legde met mijn strijkstok iedere dag kilometers af, maar een strijkstok is anders dan een auto waarvan iedereen het merkt als er een ongeluk mee gebeurt. Ik ging maar verder alsof er niets aan de hand was (...) ik kraste en ik speelde vals, maar mijn gezondheid voer er wel bij.'

In die jaren en in die buitenliteraire sferen werd Italo Svevo een uitgebalanceerd mens, een man die in staat was tegenslagen te incasseren, een harde werker met een glasheldere geest, een goed humeur en een groot aanpassingsvermogen. Hij ontwikkelde zich tot een man die - zo zou men kunnen zeggen - een van de vier kardinale deugden belichaamde, temperantia, het vermogen om zonder gefixeerd te raken op de eigen persoon zelfkennis op te bouwen en zo het paradoxale ideaal te realiseren van het 'onbaatzuchtige zelfbehoud'. (De grote Italiaanse dichter Montale getuigde er op Svevo's honderdste geboortedag van dat, van de vele schrijvers die hij in de loop der jaren ontmoet had, Italo Svevo de enige was die hij 'een man uit één stuk' kon noemen, een man die zichzelf een innerlijke orde had verworven.) Toch was hij met de verwerving van de kardinale deugd nog steeds niet helemaal klaar voor het schrijven van zijn meesterwerk. Er was nog één voorwaarde waaraan hij moest voldoen: hij moest nog een Wereldoorlog meemaken, thuis in Triëst, en tijdens die oorlogsjaren moest hij in zijn eentje de verlaten fabriek van zijn schoonfamilie gaan bewaken. Terwijl de stad voortdurend onder vuur lag beleefde hij, 'ondanks ongenoegens, zorgen en angsten van velerlei aard', de meest vredige periode van zijn leven. Hij bracht heel wat nachten in de rustige fabriekskelder door, en zijn hele wereld was rustig omdat er geen klanten waren, omdat er geen bedrijvigheid meer was. Er bevond zich geen enkel obstakel meer tussen de volledig tot wasdom gekomen Italo Svevo en de literatuur. Hij was klaar om zijn geest te laten waaien, om in de volle vrijheid van zijn eigen toon een boek te schrijven dat tot in lengte van dagen vers en onbetreden zal zijn.

Bekentenissen van Zeno is vaak de eerste psychoanalytische roman genoemd, hoewel Svevo met de vorm van Zeno's 'zelfanalyse' - geen psychiater te bekennen in de schrijfkamer - al meteen opzichtig zondigt tegen Freuds protocol. Svevo maakte kennis met de gedachtewereld en de praktijken van Freud toen zijn neef, rond 1910, in Wenen bij Freud zelf in therapie ging. In die tijd begon hij de grondslagen van de psychoanalyse te bestuderen, niet alleen om zijn neef bij te kunnen staan maar ook omdat hij - van nature geïnteresseerd in de mogelijkheden tot het verwerven van zelfkennis en innerlijke gezondheid - wilde uitzoeken of de Weense methode een krachtig nieuw ontleedmes kon vormen voor de zelfonderzoeker. De lectuur van Freuds theorieën vervulde Svevo - vooral vanwege toon en stijl - in toenemende mate met antipathie, een antipathie die werd verhevigd toen de neef na een kostbare behandeling die maar liefst twee jaar had geduurd als een gebroken man - ongeneesbaar verklaard door Freud - in Triëst terugkeerde. Svevo verwierp uiteindelijk de psychoanalyse: 'Moeten we de mensen werkelijk beroven van het beste wat zij bezitten?'

En daarmee doelde hij op onze 'pijnlijke gevoeligheid' en onze 'creatieve onrust'.

Als er in dit maandblad een serie zou hebben bestaan die 'Mijn non-helden' heette, en men had mij uitgenodigd om twaalf non-helden op te voeren dan zou Freud een ereplaats gekregen hebben, onder andere omdat in zijn wereld de waardigheid van een modern autonoom mens erin gelegen is genoegen te nemen met bescheiden idealen en overzichtelijke verlangens die de maat van een zinloze, onverschillige wereld niet te boven gaan. Tot mijn vreugde bewees Svevo met zijn Bekentenissen dat een waarlijk autonoom mens in staat is in achteloosheid onsterfelijk uit te stijgen boven zijn eigen overzichtelijke berusting.