In dienst komen en blijven bij de overheid. Liever niet!

Hoorde ik daar de haan drie keer kraaien? PvdA-Kamerlid Ton Heerts verloochende zijn vakbondsverleden (NRC Handelsblad, 15 mei). Hij stelt namelijk voor, de ontslagvergoeding bij gedwongen ontslag bij de overheid en de semioverheid te maximeren op 90.000 euro.

Ik hoor hem niet over maximering van de wachtgelden voor politieke ambtsdragers zoals ministers en Kamerleden. In veel gevallen is de contante waarde daarvan ettelijke malen meer dan 90.000 euro.

En ga mij nou niet vertellen dat ministers en Kamerleden politieke risico`s lopen en daarom een goede wachtgeldvoorziening moeten hebben. Zeker bij de `gewone` overheid (over de semi-overheid zal ik het hier niet hebben) lopen diverse ambtenaren, vooral in sleutelposities, óók zulke risico`s.

De directeur publieke werken die niet door één deur kan met de wethouder; de secretaresse, de chauffeur of de voorlichter die aan de staatssecretaris niet bevallen; de minister die graag een partijgenoot als SG of DG wil hebben. In het ambtelijk salaris zijn dit soort risico`s niet verdisconteerd. Dit in tegenstelling tot het bedrijfsleven, waarin het lopen van ondernemersrisico`s leidt tot fikse salarissen en tot aantrekkelijke vertrekregelingen. Heerts hoor ik niet over verhoging van ambtelijke salarissen voor posten waar veel risico`s worden gelopen.

Als we het voorstel van Heerts voegen bij het nog steeds niet te onderdrukken streven om de ambtelijke rechtspositie gelijk te trekken met die van gewone werknemers, dan slaat de schrik je om het hart. Laten we er geen doekjes om winden: dat streven dient vooral het doel om ambtenaren gemakkelijker te kunnen ontslaan door aan hen de ambtelijke ontslagbescherming te ontnemen.

Als je daarbij ook nog de wachtgeldvoorziening, inclusief het bovenwettelijk deel - dat afgesproken is met de ambtenarenbonden waartoe Heerts behoorde - maximeert, dan is dat buitengewoon motiverend om in dienst te komen en te blijven bij de overheid. Maar niet heus!