Iedereen drie Rolls Royces

Het vermogen van de Haarlemse doopsgezinde kerk wordt op ettelijke honderden miljoenen euro’s geschat. Het aantal leden slinkt in rap tempo. Fondsen beheren vooralsnog de toekomstige erfenis.

De Heerenkamer haarlem doopsgezinde gemeente de herenkamer foto rien zilvold religie tafels interieur
De Heerenkamer haarlem doopsgezinde gemeente de herenkamer foto rien zilvold religie tafels interieur Zilvold, Rien

’Twintig jaar geleden al deed binnen de gemeente de grap de ronde dat alle leden een Rolls Royce uitgekeerd konden krijgen nadat de laatste het licht had uitgedaan”, vertelt kerkenraadslid Rineke Nieuwstraten. De doopsgezinde kerk in Haarlem moet – zeker in verhouding tot het aantal leden – een van de rijkste geloofsgemeenschappen van Nederland zijn. Sinds de jaren tachtig is haar vermogen alleen maar gegroeid, tot waarschijnlijk ettelijke honderden miljoenen. En het aantal leden is in die tijd meer dan gehalveerd, tot zo’n 450, zodat nu voor iedereen wel drie Rolls Royces beschikbaar zouden zijn. Bij wijze van spreken, uiteraard, want soberheid en goed rentmeesterschap zijn typisch doperse trekken.

Ze is oud, rijk en gaat dood. De Vereenigde Doopsgezinde Gemeente in Haarlem wordt wel vergeleken met een welgestelde, kinderloze weduwe op haar sterfbed. De vraag is: wie gaat er met haar geld vandoor?

Het kapitaal van de weduwe, in de loop van eeuwen vergaard, bestaat voor een flink deel uit onroerend goed. Behalve de tot in de puntjes onderhouden zeventiende-eeuwse Grote Vermaning in de Frankestraat – destijds gebouwd als schuilkerk – en een aantal andere kerkgebouwen, bezitten de doopsgezinden een aanzienlijke rij panden in de Grote Houtstraat, dé winkelstraat van Haarlem. Ook buiten deze A1-locatie hebben ze gebouwen in eigendom, zoals een landgoedachtig perceel nabij stadsbos de Haarlemmerhout (rusthuis Spaar en Hout) en een drietal eeuwenoude hofjes. Kantoren en woonhuizen in en buiten het centrum komen daar nog bij, plus wat lappen grond her en der in Noord-Holland. En dan zijn er ook nog stevige sommen belegd in aandelen en obligaties.

De doopsgezinde rijkdom is grotendeels onzichtbaar, al oogt het kerkcomplex in het centrum van Haarlem – tussen Grote Houtstraat, Peuzelaarsteeg en Frankestraat – niet bepaald armoedig. De eigenlijke kerk – uit 1683, in Hollands-classicistische stijl – staat midden in het complex. De bebouwing eromheen is door de eeuwen heen geschonken aan of aangekocht door de doopsgezinden, en is, nadat begin vorige eeuw de steegjes rondom overdekt zijn, een architectonisch geheel gaan vormen met de kerk. Uit die tijd stammen ook de Heerenkamer (waar de kerkenraad vergadert) en de Dameskamer (waar de diaconessen bijeenkomen), waarvan de interieurs een aristocratische sfeer ademen, de sfeer van ‘oud geld’.

Behalve uit de luister van het kerkgebouw blijkt de doperse welstand ook uit het uitgebreide personeelsbestand. De Vereenigde Doopsgezinde Gemeente Haarlem (VDGH) heeft drie dominees in dienst, een pastoraal werker, drie kosters, een jongerenwerker, een maatschappelijk werkster, een archivaris, een administrateur, en dan is er ook nog huishoudelijk personeel. Met name de luxe van drie dominees voor zo’n kleine groep gelovigen is zeer opvallend, vergeleken met bijvoorbeeld het schrijnende tekort aan herders in de katholieke kerk. Daar is één pastoor op drie parochies eerder regel dan uitzondering.

Niemand van de Haarlemse doopsgezinden weet hoe rijk de gemeente precies is. Bijna niemand ook die het wíl weten. „Mijn ene oog ziet niet wat het andere ziet”, zoals een oud-predikant het ooit vrij naar de Bergrede formuleerde. Dat ongemak als het gaat om geld, komt voort uit de sobere doperse aard. Anderzijds liggen diezelfde eenvoud en zuinigheid juist ten grondslag aan de huidige welstand. De paradox wil dat veel van die principiële, naar eenvoud strevende dopersen de afgelopen eeuwen in Nederland belangrijke posities bekleedden in de handel en de financiële wereld. Dat houdt verband met hun visie op de wereld.

Behalve de kinderdoop wijzen ze van oudsher ook het gebruik van geweld en het dragen van wapens af. In voorbije eeuwen noopte dit hen om het gezag van de staat te verwerpen en zich afzijdig te houden van de wereld. De leden van de Doopsgezinde Broederschap weigerden overheidsdienst en legden geen eed af. Net als de joden bekwaamden ze zich bij gebrek aan andere bestaansmogelijkheden in de handel. En anders dan een ambtenaar wil een handelaar of fabrikant nog weleens rijk worden. Om vervolgens – zeker als hij ook nog eens in betrekkelijke soberheid leeft – een vermogen na te laten aan de kerk. De Haarlemse zijdefabrikant en bankier Pieter Teyler van der Hulst (1702-1778), naamgever van het oudste museum van Nederland, was zo’n gefortuneerde doopsgezinde erflater.

Hun degelijkheid in materiële zaken was een van de eerste dingen die kunsthistorica Rineke Nieuwstraten opviel toen ze, van huis uit gereformeerd, na haar huwelijk met emeritus predikant Simon Verheus, de doopsgezinden goed leerde kennen. ,,Spullen die aangeschaft worden, zijn altijd van een superieure kwaliteit en daardoor gaan ze eindeloos lang mee. Bovendien wordt er goed voor gezorgd, zoals duidelijk is af te zien aan het interieur van het kerkgebouw. In een van de kamers, die van het Fonds van wijlen dr. Jacobus van Zanten, zit bijvoorbeeld nog behang op de muur uit de achttiende eeuw, een soort goudleer, dat bijna nergens meer te vinden is.” Ook in hun persoonlijke leven proberen de meeste doopsgezinden dat ideaal van soberheid hoog te houden. Dat zie je bijvoorbeeld aan hun kleding, zegt Nieuwstraten. ,,Nog zoiets: wat kapot is, wordt niet weggegooid, maar gerepareerd. Simon, mijn man, is ook zo. Het is een manier van leven die mij aanstaat.”

Eigenzinnig, op het eigenwijze af, individualistisch, progressief, pacifistisch, sociaal bewogen – allemaal kwalificaties die de doopsgezinden typeren, en die zo achter elkaar opgesomd aan de ideale GroenLinkser doen denken. Toch klopt die associatie niet helemaal. Veel leden van de VDGH zijn afkomstig uit de maatschappelijke bovenlaag, en wonen in gegoede oorden als Bloemendaal, Heemstede, Aerdenhout, Overveen en Vogelenzang. Onder de beige corduroy broeken en schotsgeruite rokken op zondagmorgen in de kerk zijn ook aardig wat PvdA-, D66- en VVD-stemmers. Kerkenraadslid Hylke ten Cate („Ik ben hier de bonte hond”) maakte deel uit van het hoofdbestuur van Leefbaar Nederland in de tijd dat Pim Fortuyn lijsttrekker was.

Deze ruimte voor pluriformiteit is er ook als het gaat om de religieuze beleving. Weliswaar domineert de vrijzinnigheid (geloven in een leven na de dood is bijvoorbeeld niet bepaald vanzelfsprekend), maar dat wil niet zeggen dat de Bijbel het afgedaan heeft, integendeel. Vooral het Nieuwe Testament blijft de inspiratiebron bij uitstek voor de doopsgezinden. En al hangt er tijdens de diensten meestal een uiterst ingetogen sfeer, die heeft niets gereformeerd-sombers, maar gaat eerder gepaard met een bijna katholieke opgewektheid. Maar ook het evangelie ontbreekt niet: een van de kerkenraadsleden van de VDGH – hij treedt ook weleens op als lekenprediker – beschouwt zichzelf naar verluidt als een van God gezondene, die tot taak heeft zijn medemensen te bekeren. De meeste doopsgezinden zien het geloof echter als een hoogst individuele aangelegenheid, waarover ze niet gemakkelijk spreken. Zelfs dominees hebben daar soms last van. Rineke Nieuwstraten over haar man, de emeritus predikant: ,,Toen Simon erg ziek werd en gedeprimeerd raakte, zei ik tegen hem: ‘Zou je niet eens een gesprek met Onze Lieve Heer aangaan?’ Hij was oprecht geshockeerd. Bidden, dat is privé, daar praat je niet over op die manier.”

Hoezeer ook met uitsterven bedreigd, de doopsgezinde gemeenschap in Haarlem is op dit moment nog springlevend. Er is een vijftal bijbelgroepen, een vredeskring annex meditatiegroep, een 30+-groep, een 50+-groep, er worden cursussen, lezingen, tentoonstellingen en themabijeenkomsten gehouden, historische toneelstukken gespeeld, acties gevoerd voor asielzoekers. En dan zijn er ook nog elke zondag diensten, vaak in alle drie de kerkgebouwen één.

Als één eigenschap alle actieve leden van de VDGH verbindt, is het het verlangen om als geloofsgemeenschap midden in de maatschappij staan.

Daarom is men zo trots op het Jansje van Goor-project, genoemd naar een negentiende-eeuws meisje, ‘zwak van zinnen’, dat in een doopsgezinde zorginstelling leefde en na haar dood een klein kapitaal naliet. Pal naast de kerk, in de drukke Grote Houtstraat – in een pand dat nu nog dienst doet als spijkerbroekenwinkel maar eigendom is van de doopsgezinden – moet begin volgend jaar een theehuis annex cadeauwinkel verschijnen, gerund door verstandelijk gehandicapten. Met dit project slaan de Haarlemse doopsgezinden twee vliegen in één klap. Het toekomstige theehuis is bijna letterlijk het voorportaal van de kerk, en sommigen hopen dat bezoekers van ‘Jansje’ daar ook eens zullen binnenstappen, al dan niet via ‘de Gang’, een tentoonstellingsruimte in het kerkgebouw. Bovendien kan de oude rijke weduwe zonder kinderen die de VDGH is, er haar christelijk-geïnspireerde behoefte in kwijt om met haar kapitaal iets goeds te doen voor de lokale gemeenschap.

‘Jansje’ was er waarschijnlijk niet gekomen zonder de cultuuromslag van de jaren negentig. Emeritus predikant Sybout van der Meer spreekt zelfs van een ‘revolutie’. Hij proefde bij zijn aantreden in Haarlem in 1987 een fatalistische sfeer, en vroeg zijn vriend en collega Anne van der Meiden, communicatiedeskundige en Vrijzinnig Hervormd predikant, om advies. Die vond dat de gemeente veel meer naar buiten moest treden, en zo geschiedde. Galerie ‘De Gang’ kwam er, de doopsgezinden gingen actief deelnemen aan de Haarlemse oecumene, en in de adventstijd nodigden ze hun buren in de binnenstad uit. Ook in hun ‘goede werken’ werden ze geëngageerder: zo gingen ze flats huren om uitgeprocedeerde asielzoekers te huisvesten.

De ruimhartige manier waarop het jongerenwerk wordt aangepakt, is ook een uitvloeisel van die nieuwe maatschappelijke betrokkenheid. Sneel, het hippe, met aluminium beklede jeugdhonk in de Peuzelaarsteeg, is ieders trots. Er gaat veel geld naar het jongerenwerk. De gemeente heeft een professionele jeugdwerker in dienst, en krijgen de jongens en meisjes allerhande activiteiten aangeboden, inclusief reizen naar het buitenland. Maar de meeste jongeren die op Sneel afkomen, hebben geen doopsgezinde achtergrond en piekeren er niet over om officieel tot de gemeente toe te treden. ,,Als je gaat uitrekenen wat het jongerenwerk kost per gedoopt hoofd, ja, dan zijn we duur uit”, beaamt Rineke Nieuwstraten. ,,Maar zo mag je niet denken.”

Op hun getalsmatige hoogtepunt in de achttiende eeuw maakten de ‘mennisten’ maar liefst tien procent van de Haarlemse bevolking uit, nu zijn er nog maar 456. Van hen is tachtig procent boven de zestig, ruim eenderde is zelfs 80+ en jaarlijks overlijden er zo’n 25 gemeenteleden. Als er geen wonder gebeurt, zal de komende tien jaar ongeveer de helft van de leden wegvallen. Iets waar bij de VDGH maar weinigen zich druk om lijken te maken. Rineke Nieuwstraten wijst erop dat de doopsgezinden al door heel wat dalen zijn gegaan, waarna altijd weer een reveil volgde. Voor Sybout van der Meer is de kwantiteit minder belangrijk dan de betrokkenheid. En die is groeiende, zegt hij. ,,Er is een harde kern van honderd tot honderdvijftig actieve leden, en ook de groep die zich officieel als belangstellende heeft laten registreren, wordt groter. Deze ‘vrienden van de doopsgezinden’ mogen wat mij betreft een belangrijkere rol krijgen, en ook inspraak.”

Ronduit onthecht is de opvatting van Menno Dekker, voorzitter van de Jeugdwerkcommissie. ,,Als de doopsgezinde kerk er over bijvoorbeeld vijfentwintig jaar niet meer is, is het kerkgebouw heel geschikt als moskee”, zei hij ooit in het huisorgaan van de VDGH. ,,Ik heb er geen moeite mee dat de doopsgezinden als kerkgenootschap dreigen te verdwijnen, en dat we misschien moeten fuseren met andere geloofsgemeenschappen”, zo licht hij zijn – afwijkende – mening toe. ,,De VDGH zelf is in de achttiende eeuw ook ontstaan uit allerlei heel verschillende groeperingen, van vrijdenkers tot conservatieve fundamentalisten, die ervoor kozen om hun eigen identiteit op te geven en samen te gaan met anderen. Alleen vrees ik dat we zó klein zijn geworden dat het voor samengaan met anderen al te laat is. De kerkenraad heeft de taak om na te denken over de toekomst, maar dat gebeurt niet. Men steekt de kop in het zand, want de gedachte dat de kerk aan het verdwijnen is, mag niet eens uitgesproken worden.”

Een ander ‘communicatieadvies’ van Anne van der Meiden aan de Haarlemse doopsgezinden destijds, was dat ze eens moesten ophouden met die geheimzinnigheid rondom hun financieel vermogen. Maar op dit punt kreeg hij geen poot aan de grond. Het meeste geld is ondergebracht in fondsen; de namen van enkele zijn bekend, zoals het Fonds van wijlen dr. Jacobus van Zanten en het Predikfonds, maar hoeveel fondsen er zijn, hoeveel geld ze hebben en waar dat precies naar toe gaat, weet niemand. Op de website van de VDHG staat over het Predikfonds bijvoorbeeld niet meer vermeld dan dat de erediensten eruit worden betaald. Daaronder valt echter ook de hulp aan doopsgezinde broeders en zusters buiten Haarlem, en buiten Nederland. Zo kregen groepen doopsgezinden uit Siberië die naar Duitsland emigreerden renteloze leningen om kerken te kunnen bouwen.

In de kasboeken van de gemeente, die ingezien mogen worden door de leden, worden inkomende bedragen afkomstig van de fondsen mysterieus omschreven als ‘van bevriende zijde’. Alleen de externe accountant weet precies wat er met het geld gebeurt. De administrateurs die de fondsen beheren, worden door coöptatie benoemd, en wel voor het leven. Hun namen zijn niet bekend.

Voor deze traditie van geheimhouding wordt door de gemeenteleden verschillende redenen gegeven, zoals de vroegere doperse verdeeldheid (vóór de achttiende eeuw waren scheuringen aan de orde van de dag) en de vervolgingen van weleer. Maar de gedachte dat je liefdadigheid bij voorkeur in anonimiteit hoort te verrichten, lijkt toch de voornaamste.

Hoe nobel ook de motieven die aan de geheimhouding ten grondslag liggen, en hoe functioneel ook in vroegere perioden, binnen en buiten de doopsgezinde kring valt er ook kritiek te beluisteren. Haarlems Dagblad-journalist Kees van der Linden, die enkele jaren terug als verslaggever Geloof en Samenleving het financiële doopceel lichtte van de VDGH, vindt de besmuiktheid ‘idioot’. „Die doopsgezinden krijgen van de fiscus allerlei vrijstellingen omdat ze aan goede doelen geven, en ik vind dat ik als belastingbetaler best mag weten wat ze met hun geld doen.” Rineke Nieuwstraten, die destijds in een ingezonden brief de doperse traditie van geheimhouding nog fel verdedigde, geeft nu toe dat er ook nadelen aan kleven. Als lid van de commissie kerkelijk kunstbezit van de Algemene Doopsgezinde Sociëteit, die probeert om de leeglopende kerken en ander doopsgezind cultuurgoed zo verantwoord mogelijk voor het nageslacht te bewaren, zou ze dolgraag wat meer zicht hebben op de financiële mogelijkheden. Al was het maar om te onderzoeken – heel voorzichtig, want de autonomie van de afzonderlijke gemeenten wordt gekoesterd als een dogma – of er een landelijke kas kan worden ingesteld tot behoud van het doopsgezinde cultuurbezit.

Ze mogen er zelf dan niet aan willen – op Menno Dekker na, de voorzitter van de jeugdwerkcommissie, die het kerkgebouw in gedachten al aan de moslims heeft vergeven – een simpele rekensom laat zien dat het met zo’n vijfentwintig sterfgevallen en slechts een of twee dopelingen per jaar, in 2026 hoogstwaarschijnlijk afgelopen is met de doopsgezinden in Haarlem. Hun culturele en spirituele kapitaal zal voortleven als onderdeel van de geschiedenis van Haarlem.

En hun fortuin? ,,Het meeste geld zit in al die fondsen, die onafhankelijk zijn van de kerk. En dat is niet voor niks,” zegt Rineke Nieuwstraten. ,,Ze kunnen gewoon blijven bestaan als de gemeente zou moeten worden opgeheven. Maar dat is een doemscenario waar niet over gepraat wordt. Die grap over die Rolls Royces is ook al in geen tien jaar meer gemaakt."