'Er is alle reden van vrees dat wij elkander alhier nog opeeten'

In The National Archives in Londen liggen duizenden Nederlandse brieven uit de 17de en 18de eeuw. Ze zijn geschreven uit Nederland naar verre gewesten en terug, en werden ooit buitgemaakt door Engelse kapers. Roelof van Gelder deed in opdracht van de Koninklijke Bibliotheek onderzoek naar deze vergeten post en selecteert elke maand een brief voor M.

Waarde en veelgeliefde dochter, IJsselstein, 20 april 1799

Sedert uw vertrek uit Pennsylvanië, in onzekerheid verkerend waar u thans gevestigd bent, en niet zonder bekommernis wegens de vreselijke pestilente koorts die alweer zo'n verwoesting in twee of drie handelssteden aan de kusten [van Amerika] laatstleden zomer heeft veroorzaakt, [...] zo word ik eindelijk wat gerust gesteld door het schrijven van uw zuster. [...] Intussen hebben wij hier nu laatst de allerzwaarste en bitterste winter beleefd, waaraan ook maar een mens in Europa een herinnering heeft. Zelfs zegt men dat die het jaar '40 nog overtreft en die nog niet geëindigd is. En ik wil ook wel bekennen dat ik noch hier noch elders zo lang zo ellendig op de proef ben gesteld, hoewel die van '83 en '84, als ook van '94 en '95 er bij in de buurt kwamen, want van 't jaar '40, toen ik maar drie jaar was, heugt mij niets dan van horen zeggen. Verder zijn de gevolgen nog geduchter. Immers bij het losbreken van het ijs is een uitgestrekte landstreek in Groningen, Gelderland tot bij Nijmegen, in Den Bosch en bij Gorkum met een aantal dorpen, en ook Culemborg hier dichtbij, onder water gezet of overstroomd. Ja, een menigte mensen en beesten is verdronken en huizen omvergeworpen, een menigte boeren tot de braak gebracht of geruïneerd. Met één woord een overstroming zo erg, als sedert lang niet is gezien. Ook vreest men dat het winterkoren meest doodgevroren zal zijn. Het vroeg gezaaide is in ieder geval weg; de gerst en het lijnzaad zijn ook weg.

Wat de oorlog betreft, die is weer opnieuw in Italië en ook in Duitsland begonnen. En we zien er nog lang geen einde aan. De Lek blijft ook nog samengestroomd zo erg als nooit tevoren. Hoogdrukkende lasten, voortdurende fournissementen [= leveringen] aan het land bezwaren ons, zodat we er onder zuchten. Dus wat dat betreft kan ik u niets gunstigs melden. In summa, het gaat hier naar het laatste der dagen, terwijl gij in een land leeft van opkomst en bloei, en wij ook reden hebben om ons te vleien met de gedachte dat de zaken in Amerika wel goed zullen komen. [Hierna volgt een reeks familieberichten]

Zou ik al het nieuws en alle veranderingen moeten beschrijven, die sedert de revolutie laatstelijk hier zijn voorgevallen, er zou geen einde aan zijn. Het ongelukkigste is, dat alle verandering niet altijd verbetering is. Toen Amerika independent werd, en de vrede kwam, hoorde ik wel zeggen 'Liberty, Poverty'. Die kant gaat het bij ons tenminste sterk uit met onze Gelijkheid, Vrijheid, Broederschap. En indien het niet binnen één of twee jaar, of aan het eind van deze eeuw tot een algemene vrede komt, is er alle reden tot vrees dat wij elkaar, om zo te zeggen, hier nog gaan opeten. Of dat we allen te samen genoodzaakt zullen zij om naar Noord Amerika (of een nieuwe wereld) te vertrekken. [...]

Alles wat mij nog opbeurt, zijn behalve mijn boeken, de lieve kleinkinderen, waarvan het meisje, of kleine Deboraatje, zeer gevat en snedig is, en leerzuchtig, ja in een mate die niet algemeen is. Terwijl voor de rest het vroegere gedrag van Mr. Fs. mij helemaal in het onderspit of de diepte in heeft geholpen en mij het leven verbitterd heeft, zodat ik thans dubbel in het ongeluk zit. En nog kon het erger zijn. Maar ik blijf intussen in de pekel [in de moeilijkheden] zitten. Na groeten aan allen, bevele ik u aan in Gods bescherming met man en kinderen. En verblijf ik met vaderlijke affectie, waarde dochter, uw toegenegen, heilwensende vader

P. van Noemer

Hertaling en foto brief: Roelof van Gelder