Dit is een artikel uit het NRC-archief De artikelen in het archief zijn met behulp van geautomatiseerde technieken voorzien van metadata die de inhoud beschrijven. De resultaten van deze technieken zijn niet altijd correct, we werken aan verbetering. Meer informatie.
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Politie, recht en criminaliteit

Eerwraak en het strafrecht: het individu is strafbaar, niet zijn cultuur

De politiek lijkt het aan te moedigen: zwaardere straffen voor delicten met een culturele achtergrond, zoals het verdedigen van de familie-eer. Maar de rechter moet oppassen: schaar mensen niet automatisch onder een achterlijke cultuur.

Mirjam SieslingJeroen ten Voorde

Mirjam Siesling is werkzaam aan de Universiteit Utrecht. Zij promoveerde op 23 november 2006 op het proefschrift ‘Multiculturaliteit en verdediging in strafzaken’. Jeroen ten Voorde is werkzaam aan de Universiteit Leiden. Hij hoopt op 28 juni te Rotterdam te promoveren op het proefschrift ‘Cultuur als verweer’.

In Kameroen bestaat een pijnlijke traditie om opgroeiende meisjes buiten het vizier van oversekste mannen te houden. Jonge meisjes worden door hun moeder of een ander vrouwelijk familielid ‘gemasseerd’ om te voorkomen dat hun borsten zich ontwikkelen. ‘Meisjes veilig zonder borsten’, luidde de kop boven het bericht hierover in NRC Handelsblad van 7 mei.

Het gebruik leek tot het verleden te behoren, maar zou zijn herontdekt in het, naar het schijnt door een dubbele moraal op seksgebied, verwarde Kameroen. Dat ‘masseren’ blijkt een eufemisme te zijn voor mishandeling: de borsten worden vakkundig vermorzeld met behulp van scheermesjes, stenen en andere voorwerpen. Het slachtoffer kan voor de rest van haar leven ernstig verminkt raken.

Gebeurt dit in Nederland ook? Dat is op dit moment niet duidelijk, maar stel dat dit gebruik onder Kameroense immigranten in Nederland zou voorkomen, dan zou hier sprake zijn van een zogeheten ‘cultureel delict’: een delict, strafbaar naar Nederlands recht, maar toelaatbaar, gedoogd en soms zelfs aangemoedigd door de groep van waaruit de verdachte afkomstig is.

Justitie kan in zo’n geval een strafrechtelijk onderzoek beginnen. Als het dan tot een openbare terechtzitting komt, kan de verdachte (of zijn advocaat) proberen strafvermindering te krijgen door te wijzen op de culturele achtergrond van het gebruik. Dan wordt gesproken van een culturele strafzaak. Soms komen deze strafzaken in het nieuws. Enige jaren geleden werd bijvoorbeeld vrij intensief bericht over een schietpartij op een ROC in Veghel waar een Turks-Koerdische jongen van zeventien jaar vijf mensen had verwond. Doel van de schutter was één leeftijdgenoot te doden die het zusje van de schutter naar het scheen had geschaakt. Daarmee was de familie-eer gekrenkt en die kon alleen worden gewroken door het om het leven brengen van het slachtoffer.

De Veghelse zaak is één van de verschillende strafzaken waarin het motief van de gedraging kon worden gevonden in de cultuur van de verdachte – in dit geval eerwraak of eergerelateerd geweld. Het aantal culturele strafzaken is niet zo groot, maar ze kunnen principiële vragen opleveren voor de rechter en andere actoren in de Nederlandse strafrechtpleging, zoals de advocatuur. Hoe kan een verdachte die uit overtuiging op basis van zijn culturele achtergrond handelde, het beste berecht worden? Mag aan de culturele achtergrond van de verdachte een strafverzwarende werking worden toegekend? Of moet die juist strafverzachtend werken?

Deze vragen spelen al zeker twintig jaar, maar de laatste jaren is de discussie uit de sfeer van de rechtswetenschap geraakt en onderdeel geworden van het maatschappelijke en politieke debat. Daarmee is ook de toon feller geworden en de voor de rechtswetenschappelijke discussie kenmerkende terughoudendheid verlaten. Politici zijn geneigd om culturele delicten in scherpe bewoordingen af te wijzen en pleiten voor harde maatregelen. Dat was bijvoorbeeld het geval na de dood van een meisje van Turkse afkomst uit Almelo dat door haar vader om het leven was gebracht vanwege haar te westerse levensstijl. In de Tweede Kamer wordt vol afschuw gesproken van dergelijke feiten en gepleit voor keiharde maatregelen.

Deze opvattingen hebben de rechtspraak beïnvloed. De laatste jaren zien we steeds vaker dat rechters afkeurend staan tegenover de culturele achtergrond. Wanneer een verdachte op basis van zijn cultuur handelde, wordt dit als een probleem ervaren, zo blijkt uit de motiveringen van de strafmaat. Een cultureel delict is ‘volstrekt onacceptabel’, ‘schaadt het aanzien van asielzoekers’ en een zware straf moet een ‘signaal’ zijn naar iedereen die in de toekomst op basis van zijn culturele normen wil handelen. De verdachte heeft met zijn gedrag laten zien dat hij een overtuiging volgt die onverenigbaar is met de in Nederland gangbare opvattingen. Hij moet daarvoor streng worden bestraft. Het gaat daarbij dus niet zozeer om het gedrag zelf, maar om de overtuiging (de cultuur dus) waarvan die gedraging een exponent is.

Soms is dat een reden om een relatief strenge straf op te leggen, ter bescherming van de maatschappij tegen gevaarlijke culturen. Advocaten zijn daarom voorzichtig met aan cultuur gerelateerde strafzaken. Zij kiezen er veelal voor zo’n strafzaak niet anders te behandelen dan een niet-cultuur gerelateerde. Advocaten die in principe wel iets zien in het construeren van strafvermindering rond de culturele achtergrond van de strafzaak of de cliënt, zijn daarmee terughoudend geworden. Ze zijn bang voor een tegengesteld resultaat: cultuur als ‘stok om de hond te slaan’, zoals de Leidse strafrechtjuriste Wiersinga heeft gesteld, in plaats van als argument om in voor de verdachte positieve zin rekening te houden.

Het Nederlandse strafrecht kent op dit moment geen wettelijk recht om een beroep te doen op cultuur, het zogeheten ‘cultureel verweer’. Er is wel gesproken over de vraag of een dergelijk recht zou moeten worden ingevoerd. De overgrote meerderheid van de strafrechtjuristen ziet daar weinig in. Het bestaande strafrecht is in die opvatting voldoende flexibel om rekening te houden met de concrete en persoonlijke omstandigheden van een strafzaak. Dat bleek in een zaak waarin een man zijn zuster van Schiphol afhaalde en daar geconfronteerd werd met zijn nicht. Hij dacht dat zij behekst was en hem ook zou beheksen. Hij zei tegen haar: ‘Ga weg, anders steek ik je kapot’. De nicht deed aangifte van bedreiging, maar de man stelde dat hij zich moest verdedigen of anders behekst zou worden. De rechter stelde dat ‘in redelijkheid’ geen sprake was van een noodzakelijke verdediging. Met het begrip redelijkheid geeft de rechter echter aan dat hij rekening heeft willen houden met de cultuur van de verdachte.

Cultuur als zodanig heeft, zoals uit deze zaak blijkt, niet automatisch een strafverminderende werking, wat bij een cultureel verweer wel het geval zou zijn. De Nederlandse strafrechter wordt voldoende professioneel geacht om, als de verdediging daar steekhoudende argumenten voor aanvoert, de culturele achtergrond van de verdachte op de juiste wijze in zijn oordeel te verwerken. Dit kan leiden tot erkenning van de culturele achtergrond als strafverlagend of zelfs strafuitsluitend argument, bijvoorbeeld bij aanname van een strafuitsluitingsgrond.

Het meewegen van die culturele achtergrond is wat ons betreft niet alleen inherent aan de wijze waarop het Nederlandse strafrecht is vormgegeven. Het is ook noodzakelijk, gelet op de inbedding van het strafrecht in de democratische rechtsstaat. De fundamentele vrijheden die een rechtsstaat zijn burgers garandeert, waaronder de vrijheid op basis van een eigen cultuur te functioneren (een recht dat in internationale verdragen en andere overeenkomsten wordt gegarandeerd), gelden ook voor de allochtone verdachte die een beroep doet op zijn culturele achtergrond.

Die mogelijkheid staat onder druk, net als de zekerheid dat de rechter in zijn uitspraak in voldoende mate antwoord geeft op een steekhoudend en argumentatief goed onderbouwd betoog. In een aantal strafzaken pakte de culturele achtergrond strafverlagend uit, bijvoorbeeld in het geval van een verdachte die ten tijde van het delict onder grote druk van zijn familie stond. Maar in het algemeen bestaat onder advocaten onzekerheid over het aanvoeren van de factor cultuur in hun verdediging, omdat zij voor strafverzwaring vrezen. De zeer negatieve politieke en maatschappelijke opvattingen over culturele delicten dragen bij aan die onzekerheid, maar even belangrijk is het feit dat zelfs topadvocaten het niet voor elkaar krijgen om de rechter te bewegen om ‘culturele empathie’ toe te passen.

Een voorbeeld hiervan was de zaak, in 2001, van een Afghaans-Nederlands meisje van zestien dat door haar vader om het leven was gebracht wegens haar losbandige leefstijl. Die werd gezien als een schending van de familie-eer. Tijdens de strafzaak bleek dat de moeder niet meer was dan een meeloper: zij was de volgzame vrouw die deed wat haar echtgenoot haar opdroeg. Zij werd tot zes jaar gevangenisstraf veroordeeld, zonder het meisje te hebben omgebracht, maar voornamelijk omdat zij zich niet van haar echtgenoot distantieerde. De advocaat van de vrouw voerde aan dat zij tot distantie niet in staat was, omdat dat in haar cultuur volstrekt ondenkbaar was. Tot aan de Hoge Raad, het hoogste rechtscollege in Nederland, werd dit standpunt naar voren gebracht, maar zonder resultaat.

Door dit soort uitspraken laat een aantal advocaten de culturele achtergrond van de cliënt achterwege in de verdediging, ook in strafzaken waarin er objectief beschouwd reden zou zijn die culturele informatie wel degelijk over het voetlicht te brengen. Harde bewijzen hiervoor zijn er niet, omdat culturele delicten naar hun aard vaak ernstig zijn (gewelddadig, met vaak een vrouw of een kind als slachtoffer) en alleen al om die reden bedreigd worden met een zwaardere straf. Dat blijkt bijvoorbeeld uit een zaak in Zwijndrecht uit 1999. Een man had zijn vrouw om het leven gebracht omdat zij de eer van de familie zou hebben geschonden. De vrouw werd in het bijzijn van haar kinderen gedood. In het rechterlijk oordeel wordt zeer negatief over de culturele achtergrond van de feiten gesproken. Maar ook het feit dat haar kinderen getuige waren en de man ter terechtzitting geen berouw toonde, speelde mee in de hoogte van de straf. Welk element van grotere invloed was op de strafmaat, valt uit de motivering van de rechter niet af te leiden.

Los daarvan is het problematisch dat advocaten uit angst of onzekerheid de ‘culturele kaart’ niet spelen omdat ze niet weten tot welke uitkomst dat zal leiden. Zeker als de achtergrond van de gedraging en de persoon van de dader objectief cultureel genoemd kan worden, is de zaak onvolledig behandeld als de culturele achtergrond niet aan de orde is gekomen. Dan komt een fundamenteel beginsel van het strafproces onder spanning te staan, namelijk dat een verdachte pas kan worden veroordeeld als alle voor een volledig begrip van de hem verweten gedraging relevante feiten en omstandigheden tijdens de strafzaak aan de orde zijn gekomen.

Toegegeven, de rechter heeft hierin een ondankbare taak. Hoewel de rechter, in ernstige zaken de voorzitter van de meervoudige kamer, tot taak heeft het proces in goede banen te leiden en er zorg voor moet dragen dat het proces voldoet aan de wettelijke eisen (onder andere die van een eerlijke procedure), is een aan cultuur gerelateerde strafzaak niet eenvoudig. Dit kan te maken hebben met een taalbarrière, als de verdachte geen of onvoldoende Nederlands spreekt. Tolken kunnen niet alles oplossen: soms spreekt een verdachte een bepaald dialect dat alleen een Engelstalige tolk beheerst wiens vertaling vervolgens weer moet worden doorvertaald in het Nederlands.

Ook vooroordelen bij een rechter kunnen een probleem zijn. Zo bestaan veel misverstanden over al dan niet hardnekkig ontkennen door verdachten uit bepaalde etnische minderheidsgroepen. Personen die werkzaam zijn in de strafrechtpleging, onder wie rechters, zeggen dat het hun ervaring is dat dit ontkennen stelselmatig gebeurt en veroorzaakt zou worden door culturele verschillen. Wetenschappelijk onderzoek wijst echter uit dat het ontkennen veeleer een teken is van calculerend en streetwise gedrag. Rechters zijn vaak wel op de hoogte van culturele gebruiken en gewoonten die in etnische minderheidsgroepen kunnen voorkomen, al was het maar omdat ze daar cursussen over kunnen volgen. Soms is die informatie stereotiep en achterhaald, maar sijpelt ze wel door in het rechterlijke oordeel in een bepaalde aan een cultureel gerelateerde strafzaak.

Een derde probleem kan zijn dat verdachten weinig berouw tonen. In een eerwraakzaak kan een verdachte geen berouw voelen omdat voor hem of haar het herstellen van de familie-eer een noodzakelijke kwestie was: droevig, als een noodlottig ongeval, maar niet iets waarbij spijt komt kijken.

Als de rechter zich onvoldoende bewust is van dergelijke achterliggende verklaringen voor gedrag, kan aan de culturele component van een strafzaak een strafverzwarende of gevaarzettende (geen berouw tonen betekent een risico op recidive) betekenis worden verleend. Zo was er in 1999 de zaak van een verdachte die door zijn familie was aangemoedigd zijn eer en die van zijn familie gewelddadig te herstellen. De rechtbank zag in dat gegeven een gevaar voor herhaling en legde onder meer daarom een lange gevangenisstraf op. Een dergelijke constructie lijkt een ‘culturele afstraffing’ te impliceren, gevolg van onvoldoende kennis over de desbetreffende cultuur. Deze gebrekkige kennis staat een afgewogen beoordeling van de feiten en omstandigheden van de zaak in de weg.

Cultuur als afstraffing lijkt door de politiek te worden aangemoedigd. Zeker ten aanzien van eerwraak wordt gepleit voor een zo effectief mogelijke aanpak, waarin voor fundamentele strafrechtelijke beginselen geen plaats lijkt te zijn. Het is op zichzelf niet onbegrijpelijk dat tegen eerwraak moet worden opgetreden in het belang van de bescherming van slachtoffers. Probleem is dat dit optreden gepaard gaat met een zeer negatieve visie op de multiculturele samenleving en integratie van immigranten. Culturele delicten worden beschouwd als een symptoom van gebrekkige integratie.

Daarmee krijgt de multiculturele samenleving niet alleen een problematisch karakter, maar wordt zij beschouwd als een mislukt project. Deze opvatting miskent niet alleen de diversiteit van culturele uitingen, waarvan het merendeel in het geheel niet strafbaar is. Zij bergt ook het gevaar in zich dat de multiculturele samenleving wordt geassocieerd met criminaliteit. Politici die dergelijke opvattingen uitdragen, stellen dan een strafrecht voor waarin de vrijheden van plegers van culturele delicten tot het minimum worden beperkt en iedereen die ook maar in de verste verte iets te maken zou hebben met de voorbereiding, uitvoering of afwikkeling van een cultureel delict, strafbaar zou moeten zijn. Dat komt uiteindelijk neer op het strafbaar stellen van een cultuur, niet van personen.

De actoren die met het strafrecht te maken hebben, zullen zich bewust moeten zijn van de groeiende culturele diversiteit van de samenleving. Om te beginnen zullen rechters zich moeten verdiepen in de verschillende culturele achtergronden waaruit verdachten kunnen voortkomen. Stichting Studiecentrum Rechtspleging (SSR) biedt cursussen aan om rechters te scholen in de rol van culturele achtergronden in het (straf)recht, maar die moeten uitgebreid en verdiept worden. Het zou daarnaast interessant zijn over de grens te kijken. Het Britse Judicial Studies Board werkt continu aan een zogeheten bench book ten behoeve van de rechterlijke macht, waarin veel praktische informatie is opgenomen over de verschillende etnische minderheden die in Groot-Brittannië leven. In ons land moet de rechterlijke macht zich bewuster worden van de toegenomen diversiteit in de samenleving. En hij moet ook een duidelijker weerspiegeling vormen van de samenleving; op die manier kunnen rechters ook een rolmodel vormen voor minderheidsgroepen.

Het opleggen van zware straffen aan plegers van culturele delicten gaat uit van een verkeerde opvatting over de rol van het strafrecht in de multiculturele samenleving. Vanzelfsprekend moeten daders van strafbare feiten worden gestraft (mits voldaan aan alle juridische eisen daarvoor). Maar het strafrecht is het minst geschikte instrument om emancipatie van gemarginaliseerde groepen te bewerkstelligen. Een strafzaak moet zich beperken tot een beoordeling over een concreet geval en een bepaald individu – de verdachte. In die beoordeling kan de rechter de culturele achtergrond meewegen. Wanneer hij besluit die achtergrond aan de verdachte ten nadele toe te rekenen, moet hij voorkomen in algemene uitspraken te vervallen. Een allochtone verdachte is er niet bij gebaat automatisch te worden geschaard onder een achterlijke cultuur, noch te worden beoordeeld als iemand met een primitieve achtergrond. Hij is namelijk burger van de Nederlandse samenleving. Uit dien hoofde kan hij niet alleen verantwoordelijk worden gesteld voor zijn gedrag, maar moet hij bovenal serieus worden genomen. Een afgewogen beoordeling, ontdaan van stereotypering en vooroordelen, van zijn culturele achtergrond door de rechter is daarbij onontbeerlijk.