Een referendum over de EU miskent de realiteit

Het heeft geen zin de gewijzigde versie van het Europees Grondwettelijk Verdrag wederom in een volksraadpleging voor te leggen aan de Nederlandse kiezer. Dit laatste eiste de oppositie in de Tweede Kamer tijdens een debat deze week met staatssecretaris Timmermans (Europese Zaken, PvdA). Deze is van mening dat een tweede afwijzing van het verdrag, terwijl de andere EU-landen akkoord gaan, de Nederlandse positie in de Unie schaadt. Die analyse is correct.

De sociaal-democraat wijkt wel af van eerdere uitspraken van zijn partijleider Bos, die steeds toezegde dat ook de nieuwe verdragstekst referendabel zou zijn. Maar als voortschrijdend inzicht bij de staatssecretaris leidt tot een betere standpuntbepaling, dan is dat vooruitgang. Wellicht is de PvdA intern verdeeld. Het is daarom een goed idee dat de ‘onafhankelijke’ commissie-Vreeman, die gisteren een onderzoek produceerde naar de jongste verkiezingsnederlaag van de PvdA, de partij aanbeveelt de zaken goed op een rijtje te zetten. Dat kan de stabiliteit van de coalitie ten goede komen.

De gedachte dat het verdrag moet worden voorgelegd aan de kiezers, vloeit voort uit staand staatsrecht, waarbij het gebruikelijk is dat Grondwetsherzieningen pas tot stand kunnen komen nadat burgers zich daar via nieuwe parlementaire verkiezingen over hebben kunnen uitspreken. De Raad van State was in 2005 van oordeel dat de voorliggende concepttekst zoveel constitutionele elementen bevatte dat een uitspraak hierover van de kiezers gerechtvaardigd was. Maar het befaamde referendum over het verdrag, deze week twee jaar geleden, was wel de exceptie die de regel van het gangbare representatieve parlementaire stelsel in Nederland bevestigde. Dat de coalitiepartijen tijdens de formatie hebben afgesproken de concepttekst opnieuw ter toetsing voor te leggen aan de Raad van State, was onnodig en tactisch onhandig. De huidige opstelling van Timmermans bevestigt dit. De regering maakt zich kwetsbaar voor de gedachte dat zij probeert verstoppertje te spelen achter de rug van dit Hoog College van Staat.

Na het vernietigende oordeel van de kiezer over de eerdere verdragstekst heeft het kabinet in Europese onderhandelingen gestreefd naar aanpassingen. Balkenende is nog altijd doende regeringsleiders in andere landen ervan te overtuigen dat een lichtere versie van het verdrag, zonder grondwettelijke bijsmaak, de Nederlandse voorkeur heeft. Daarmee komt het kabinet tegemoet aan de wens van burgers die in 2005 hun afkeuring hadden uitgesproken.

Blijven benadrukken dat ook de herziene tekst moet worden voorgelegd aan de burgers, miskent dat feit. Ook gaat die opstelling voorbij aan de gewijzigde politieke realiteit in de Europese Unie. Het verdrag is nu door achttien landen omarmd. Nederland staat voor een voldongen feit. Nu doen alsof er nog iets te kiezen valt, zoals een referendum zou suggereren, is boerenbedrog. Eurosceptici bevinden zich daarbij in de paradoxale situatie dat het losmaken van Nederland uit de Unie alleen kan door ratificatie van het verdrag. Het vigerende Verdrag van Nice kent die mogelijkheid niet.

Het kabinet moet hierover eenduidig en helder communiceren, zonder weer te vervallen in de dreigementen van een negatieve campagne. De voordelen die een goed verankerde Europese Unie brengt voor de burger, in de nieuwe wereldorde waar naast de VS ook andere supermachten in ontwikkeling zijn, kunnen nuchter naar voren gebracht worden.