Acht Brando’s on the waterfront

Het is feest: de Lida krijgt groot onderhoud, dus Diana Tromp en haar collega-zeevaarders zetten het op de wal op een drinken

Mijn gebeden zijn verhoord, het wonder is geschied: sinds twee weken liggen we op de slip, ook wel helling genoemd. Het is een prachtige zaterdag als de Lida op de rails wordt gezet. Zeshonderd ton staal wordt knarsend, centimeter voor centimeter, op het droge getrokken. Na vijf uur is de klus geklaard. Eindelijk kan de werf beginnen aan de grote onderhoudsbeurt. Tijd voor een feestje, besluit de kapitein. Daar moet op gedronken worden.

Ik werp een blik in mijn klerenkast. Tal van fleurige jurkjes, maar die combineren niet met mijn werkmansschoenen, noch met de Birkenstocks. En ik ben bang dat mijn rode pumps de 300 meter van de werf naar de weg niet overleven: teveel olie en smeer waar je tot aan je enkels in wegzinkt. Ik besluit op safe te spelen: T-shirt, spijkerbroek en gympen. Als ik me bij mijn collega’s voeg blijkt dit inderdaad het tenue de ville te zijn. Daar gaan we: acht strakke spijkerbroeken op zoek naar een kroeg. In twee taxi’s worden we naar een bar in een afgelegen oord gebracht. De uitspanning draagt de toepasselijke naam ‘On the waterfront’, en deze acht Marlon Brando’s voelen zich direct op hun gemak. Er zijn weinig andere gasten, dus we krijgen de onverdeelde aandacht van de talrijke schaars geklede barkeepsters. Er staat een biljart, de plafondventilator draait op volle toeren en Jerry Lee Lewis schalt uit de boxen. We bestellen de wodka per fles. „Zazdrovje!” en dan in één keer een glas achterover. Binnen een half uur heb ik er vijf achter mijn kiezen. Gelukkig volgt het eten snel: krab, kreeft, garnalen en bami. Ik schep mijn bord vol, al ben ik eigenlijk al te laat voor het benodigde bodempje. De mannen raken het eten nauwelijks aan: er zit een saus overheen die niet terug te voeren is naar mayonaise of ketchup, dus dat is linke soep.

Tijd voor een dansje. Collega Sergei (56, stevige baard, stevige buik, weemoedige blik) nodigt me uit voor een twist. We gaan diep door de knieën, schudden met de heupen en als dank krijg ik een natte zoen op mijn wang. Het Russisch-Engels wordt nog onverstaanbaarder, de sfeer alleen maar beter. De asbakken lopen over. Er worden weddenschappen afgesloten voor wie zich het vaakst kan opdrukken: 100 dollar voor de winnaar. De barkeepsters (het lijken er wel steeds meer te worden) blijken ook te kunnen poolen, dat wil zeggen: ze kunnen zich ongekend sensueel op het biljart neervleien, terwijl ze iets leuks met de keu doen. Ik moet van de Brando’s ook een potje poolen. Ik verlies van de sensuele serveerster, maar ben toch trots: het biljartlaken is heel gebleven.

Om twee uur ben ik de eerste die de terugtocht naar de Lida aanvaardt. Ik wil mijn collega’s de gelegenheid geven sans gene iets moois met een serveerster op te bouwen, mochten ze daar behoefte aan hebben. Eenmaal terug op het dek blijkt de wodka de toegangscode van de buitendeur uit mijn hersens te hebben weggespoeld. Ik moet dringend even gaan liggen want het bonken in mijn hoofd wordt steeds heviger. Ik nestel mij op een houten bank op het achterdek, en gebruik een smerig kleed (ook wel asbestkleed genoemd, zo hoor ik later) als kussen.

De volgende morgen word ik om twaalf uur wakker. Mijn kleren zitten onder de olievlekken en het bonken in mijn hoofd duurt onverminderd voort. Als ik mijn ontbijt wil klaarmaken zitten de mannen al fris en fruitig in de mess. Het is tijd voor het zondagse brunchritueel: brownies met brandy. De derde toost is traditiegetrouw voor de scheepsredactrice: „Zatehkto-vmore„ wat zoiets betekent als ‘voor iedereen die niet op zee is’. Na drie glaasjes heeft de brandy mijn hoofdpijn weggespoeld.

Sindsdien is er volop werk aan de winkel. Ik kwijt mij van mijn drie taken: dek schrobben, roest bikken en verven. Alles is in ruime mate voorradig: dek, verf en vooral roest. De Lida is goed onderhouden, maar er valt nauwelijks tegenop te werken. Een matroos wordt ook wel ‘a/b’ genoemd: ‘able body’. Nu heb ik vrij veel body, maar of dat ook able is? Mijn kennismaking met de hogedrukspuit belooft niet veel goeds: zodra ik het handvat ferm indruk sla ik letterlijk steil achterover. Gelukkig zijn er geen getuigen van.

Mijn kluskennis is beperkt tot ‘links is los’ en ‘meten is weten’. Vooral het eerste komt van pas, bij de loswrikken van de vastgeroeste bouten van de speedlocks. Ik weet dan wel hoe het moet, de vereiste spierkracht bezit ik nog lang niet. De kapitein betitelt mijn gepruts aan boord als ‘bezigheidstherapie’. Hij zet me snel aan een andere klus: roest bikken. Gewapend met veiligheidsbril én mondkapje bik ik er op los. Zodra de eerste flinters tegen mijn bril ketsen schiet me nog een gouden regel te binnen: ‘altijd van je af’. Geldt niet alleen voor kurk, maar zeker ook voor roest.

Zie www.zeeopschool.nl