Wegkwijnen kan altijd nog

Vandaag trekt een PvdA-commissie conclusies uit de grote nederlaag van Wouter Bos bij de Kamerverkiezingen. Nieuwe boeken zoeken naar de achtergronden van de crisis van de gevestigde politiek.

Een schoonmaker stofzuigt het Binnenhof in Den Haag, 18 december 2006 Foto Bas Czerwinski 18-12-2006, DEN HAAG. SCHOONMAKER IS AAN HET STOFZUIGEN OP HET BINNENHOF. FOTO BAS CZERWINSKI
Een schoonmaker stofzuigt het Binnenhof in Den Haag, 18 december 2006 Foto Bas Czerwinski 18-12-2006, DEN HAAG. SCHOONMAKER IS AAN HET STOFZUIGEN OP HET BINNENHOF. FOTO BAS CZERWINSKI Czerwinski, Bas

Sytze Faber: De wet van de koestal. Gereformeerden in Den Haag. Balans, 174 blz. €15,–

Frans Becker en René Cuperus: Verloren slag. De PvdA en de verkiezingen van november 2006. Mets en Schilt, 185 blz. € 20,–

Addie Schulte & Bas Soetenhorst: Daadkracht en duidelijkheid. 5 jaar crisis in de VVD. Van Gennep. Amsterdam. 285 blz. € 19,90

Karel de Gucht: Pluche. Over de banalisering van extreem rechts.Houtekiet, 175 blz. € 16,50

Thijs Broer en Max van Weezel (red.): De geroepene. Het wonderlijke premierschap van Jan Peter Balkenende.Balans, 208 blz. € 16,95

Toen het christelijk-sociale kabinet van CDA, PvdA en ChristenUnie aantrad gebeurden er twee merkwaardige dingen. Opiniemakend Nederland had zich hevig geërgerd aan het optreden van de eerste kabinetten-Balkenende. De opeenvolgende rechtse regeringen is steevast verweten actief bij te dragen aan de erosie van de sociale samenhang. Balkenende IV trad echter aan met een regeerakkoord dat bol stond van de hoop op samenwerking tussen politiek en samenleving. Maar wie dacht dat hierover de loftrompet zou worden gestoken, kwam toch weer bedrogen uit. In het nieuwe regeerakkoord zou sprake zijn van betutteling, paternalisme en kleinburgerlijkheid. Nu was plotseling niet meer de solidariteit of sociale cohesie in gevaar, maar het individualisme. Columnisten en hoofdartikelschrijvers waarschuwden nu voor een overdosis aan gemeenschapszin van de nieuwe regering.

Ogenschijnlijk even merkwaardig was het optreden van een van de politieke hoofdrolspelers. Het CDA had in de afgelopen jaren het land voorgehouden dat de politiek zonder al te veel overleg met het middenveld het voortouw moest nemen bij het herstellen van het maatschappelijk evenwicht. Plotseling draaide dezelfde CDA-ploeg het gezicht naar de samenleving, want het was ineens weer hoog tijd voor onderhoud van de maatschappelijke verbanden. Een mooie stoelendans was dat. Wie wil mag er best over mopperen, maar de werkelijkheid is dat politici die niet tot op zekere hoogte opportunistisch zijn – en dus star – voor meer problemen zorgen.

Een interessantere vraag is of deze stoelendans niet mede mogelijk wordt gemaakt door de relatief grote eensgezindheid in de politiek. Het debat over de herziening van de verzorgingsstaat voeren we in termen van maatvoering. De eerste ChristenUnie-man moet nog opstaan, die altijd onder alle omstandigheden tegen abortus is. En een ambtenaar mag sputteren dat hij of zij geen mannen wil trouwen, maar het debat over diens gewetensbezwaren bekrachtigt de staande praktijk. Dat Nederland zich inmiddels massaal kritisch opstelt jegens Europa, wordt door de aanvankelijk geschrokken beleidselite inmiddels als nuttig ervaren. In zo’n omgeving is de bandbreedte van veel conflicten smaller dan deze lijkt. Het is dan zo niet moeilijk om even een andere pet op te zetten.

Dit is het punt waarop veel waarnemers van de hedendaagse politiek uit hun collectieve vel springen. Hoezo consensus? De analyses dat de politiek wordt verscheurd door diepe conflicten en heftige bewegingen stapelen zich op. Uit Daadkracht en Duidelijkheid. Vijf jaar crisis in de VVD van Addie Schulte en Bas Soetenhorst rijst het – goed gecomponeerde – beeld op van een verscheurde partij. De journalisten van Het Parool brengen genadeloos in beeld hoe inhoudelijke conflicten, botsende ego’s en solistische partijvoorzitters ervoor hebben gezorgd dat geen van de leiders na het vertrek van Bolkestein het vertrouwen van de partij of de kiezers weet te winnen. Voor het oog van de natie vechten Dijkstal, Zalm, Van Aartsen, Hirsi Ali, Verdonk en Rutte elkaar de keet uit. Er hoeven zich maar een paar toevalligheden voor te doen en Wilders gaat erop en erover.

Uit het eerder dit jaar verschenen Verloren Slag. De PvdA en de verkiezingen van november 2006 spreekt een vergelijkbaar, verscheurd verhaal. In zeven beschouwingen gaan aan de PvdA-gelieerde wetenschappers in op de spectaculaire val van de PvdA in 2006. Van 60 zetels in de peilingen naar uiteindelijk 33 in het parlement, dat is ook een prestatie. De sociaal-democraten worden al twee decennia geteisterd door een groeiende spanning tussen de belangen van de hoger en de lager opgeleide achterban; tussen de opvattingen van culturele progressievelingen en die van de op hun materiële belangen gerichte werknemers. Op die veelbesproken ‘spagaat’ is nog altijd geen overtuigend antwoord gevonden, zo laat Verloren slag zien. Die diagnose wordt door de commissie-Vreeman, die vandaag met haar rapport kwam, nog eens herhaald.

Er hoefde maar iets mis te gaan – het gestuntel rondom de ‘fiscalisering’ van de AOW – om de diepe onzekerheid die hiervan het gevolg is aan het licht te brengen. De consequenties zijn niet mis. De PvdA moet eraan wennen dat ze haar hegemonie op links kwijt is, constateren Gerrit Voerman en Paul Lucardie in hun bijdrage aan Verloren slag. Wegkwijnen is een serieuze optie.

De ideologische verwarring en het partijstrategisch geklungel bij de VVD komen in zoveel opzichten overeen met het drama van de PvdA, dat van toeval geen sprake kan zijn. Tel maar op: de moeite om te kapitaliseren op eigen politieke successen; de korte tijd die nodig was om weer van gloednieuwe beginselprogramma’s af te raken; het onvermogen om kapers op de politieke kust naar de bodem te jagen; de openlijk geëtaleerde eenzaamheid van de leiders Bos en Rutte, beiden zoekende aanvoerders voor wie het vertrouwen van het kader helemaal niet vanzelfsprekend is.

Kortom, de Haagse politiek staat onder hoogspanning. Die is vooral te wijten aan twee gevolgen van de modernisering, die duidelijk werden nadat de opvattingen en overtuigingen van beide clubs al behoorlijk afgerond waren. De eerste vraag: willen we écht een open land zijn, met de blik naar buiten, actief in de wereld en in Europa? En: wat doen we met de relatief kleine maatschappelijke groepen die echt afwijkend gedrag vertonen?

Een open houding naar het buitenland heeft zeker grote voordelen. Zakendoen en denken gaan beter zonder landsgrenzen, en plezier maken ook. Nadelen van die openheid zijn er ook te over. Er komen mensen en ideeën binnen die voor verrassingen zorgen, die narigheid op het bord van onschuldige burgers of van onhandige bestuurders leggen. Door geldgebrek en opleidingsgebrek is niet iedereen in staat plezier te beleven aan die openheid. De hoofdstukken in Daadkracht en duidelijkheid over de onaangename verhouding tussen Rutte en Verdonk, zijn een krachtig medicijn tegen de suggestie dat de liberalen hierop een collectief antwoord zouden hebben. Ook de PvdA, met als recent voorbeeld de schutterige positie in het debat over de dubbele nationaliteiten van hun eigen bewindslieden, gaat op deze kwestie liever niet al te diep in.

Heel veel mag in Nederland van heel veel mensen. Maar over de bestrijding van het restje echt afwijkend gedrag – van burkadraagsters tot werkschuwen – loopt de politieke spanning op. Wat te doen met de hardnekkige dief, de moslimfundamentalist, de overlast veroorzakende alcoholist? Opsluiten, wegsturen, aanpassen, straffen, negeren of koesteren? Ook hier slagen de liberalen en de sociaal-democraten er niet in het antwoord overtuigend af te leiden uit hun eigen principes. Van oudsher zijn deze partijen gericht op het veroveren en vergroten van de vrijheid; nu moeten ze zich richten op het indammen daarvan. Dat is een heel ander verhaal.

Voorlopig belichamen het succes van de SP en de partij van Geert Wilders meer de omvang van deze kwesties, dan dat ze de problemen weten op te lossen. De vraag is nu: hoe erg is het eigenlijk als een politieke partij als de PvdA of de VVD daar geen goed antwoord op heeft? Is het aannemelijk dat wanneer de bestaande politiek niet uit de voeten kan met maatschappelijke kwesties, automatisch ook de legitimiteit van het hele democratische stelsel op het spel komt te staan? De klachten over onvoorspelbare, gemakzuchtige of wantrouwende kiezers zijn talrijk. Maar de opkomst bij parlementsverkiezingen is verre van problematisch. Met het onvoorspelbare kiezersgedrag valt het ook reuze mee. Er is meer aanbod buiten het centrum, maar linkse kiezers blijven links en rechtse kiezers blijven rechts. Kortom, het zou goed kunnen dat de crisis in de politieke partijen dieper is dan de crisis in de maatschappij. Dat leidt dus wel tot Haagse surprises, maar waar die verrassingen precies een afspiegeling van zijn is betwistbaar.

Neem de verrassende opkomst van de Christen Unie als regeringspartij, door Sytze Faber beschreven in De wet van de koestal. Faber, voormalig CDA-politicus, mocht bij alle vergaderingen van de CU aanschuiven, ook tijdens de kabinetsformatie. Hij richt zich vooral op de antwoorden van de partij op het optreden van het CDA; vandaar de titel, die verwijst naar de politieke wijsheid dat de grootste dief van je ruif pal naast je staat. Het CDA, zo blijkt uit zijn relaas, laat zich tegenwoordig weer kennen als de machtspartij van weleer. Balkenende en Verhagen troeven tijdens de onderhandelingen in Beetsterzwaag hun tegenstanders keer op keer af. Het beeld van de premier als een koppige lastpak uit de De wet van de koestal wijkt dan ook behoorlijk af van het portret van de brekebeen dat Vrij Nederland-redacteuren schetsen in De geroepene. Bij hen is Balkenende de premier die meestal afwezig is tijdens crises. Dat mag juist zijn, maar is nog niet genoeg verklaring waarom de premier nog steeds op zijn plek zit.

De wet van de koestal laat tussen de regels door zien uit hoeveel bronnen kiezers en ook partijen tegenwoordig putten bij de formulering van hun maatschappelijke agenda. In de huidige CU komen tenminste drie Nederlandse politieke tradities samen. Die van de 19de eeuwse strijd om soevereiniteit in eigen kring voor de ‘kleine luyden’, waaruit de Anti-Revolutionaire Partij ontstond. Inmiddels bestaat de ‘eigen kring’ uit mensen die niet zozeer gereformeerd zijn, maar wel gesteld zijn op christelijke gedachten. Dan is er de traditie van het onderhandelen, plooien en schikken van de 20ste-eeuwse verzuiling, dat niet zozeer tot uitdrukking komt in de CU-opvattingen over abortus en euthanasie, maar wel in de pragmatische wijze waarop de partij aan die opvattingen invulling geeft. Tenslotte is er ook de 21ste-eeuwse praktijk van het bespelen van de media, waarin partijleider André Rouvoet zeker niet de slechtste is. Door een deels toevallige gang van zaken komen deze drie politieke tradities nu op een voor de partij gunstige manier bijeen.

Als de huidige verhoudingen meer een indicatie zijn van het gebrekkige functioneren van partijen dan van het democratisch stelsel zelf, hebben dramatische vergelijkingen met bijvoorbeeld de republiek van Weimar slechts een beperkte zeggingskracht. Karel de Gucht waagt zich er wel aan. De Belgische minister van Buitenlandse Zaken trekt in Pluche. Over de banalisering van extreem rechts gepassioneerd van leer tegen het oprukkend populisme in Vlaanderen en Nederland. Hij haalt daarvoor de beruchte antisemitische burgemeester van Wenen, Karl Lueger van stal, aan het begin van de twintigste eeuw. Maar hij verliest uit het oog dat het ondanks alle lessen die we uit de eerste helft van de 20ste eeuw kunnen en moeten leren, het nog altijd lastig blijft om in korte tijd te moeten wennen aan grote aantallen nieuwkomers. Zijn gepassioneerde inzet is te prijzen, maar analytisch levert dat niet veel op.

Het onbehagen dat het begin van de 20ste eeuw kenmerkte viel – net als nu – samen te vatten als de angst dat de samenleving uiteenvalt. Sociale kritiek uit die tijd – op het doorgeslagen individualisme, op de dramatische effecten van de modernisering voor de onderklasse – kan moeiteloos naar het heden worden verplaatst. Maar op welk punt van welke crisis we nu precies staan, laat zich pas achteraf vertellen. Er zijn ettelijke momenten geweest waarop die angst om de sociale cohesie minstens zo sterk verwoord werd als nu en aan het begin van de 20ste eeuw: toen de arbeiders in de jaren zestig zomaar van de welvaart gingen profiteren door lekker thuis televisie te kijken, toen Ronald Reagan en Margaret Thatcher een jaartje of wat hadden huisgehouden in de vermolmde corporatistische structuren. Het werd er bepaald niet gezelliger op, maar een grote oorlog of de terugkeer van het fascisme bleef uit.

De praktijken en tradities waaruit zowel oude als nieuwe politieke partijen, en ook burgers, bewust of onbewust kunnen putten, is gevarieerder dan ooit. Dat loopt uiteen van de regionale eigengereidheid uit de tijd van de Nederlandse Republiek tot de nieuwe mediatechniek van internetbewegingen tussen coolpolitics en geenstijl.nl. Nationalisten gaan tegenwoordig ook te rade bij de opvattingen van Atatürk over de scheiding van kerk en staat, gelovige moslims beheersen noodgedwongen het liberale discours beter dan wie dan ook. Mediapersoonlijkheden, soms al oude netwerken en de uiterst flexibele manier waarop politici met klassieke politieke termen omspringen, botsen allemaal op elkaar.

De uitkomst is telkens ongewis. Dat de politiek in zulke ongewisse tijden harder wordt is bijna onvermijdelijk, maar hoeft geen dramatische gevolgen te hebben. Misschien moeten we voor het verwerken van de grote maatschappelijke veranderingen van de laatste decennia ons meer concentreren op de lokale politiek. Pragmatische maar activistische politici kunnen daar relatief veel betekenen voor de ‘moderniseringsverliezers’. Partij-kleur doet er daarbij zelden toe. Bescheidenheid over het oplossend vermogen van de grote politiek kan in ieder geval geen kwaad.

Wilt u reageren? boeken@nrc.nl