Schelpenzoeker

Zaterdags gaat Thijs de Boer op zijn fiets naar de Balg, de strandvlakte aan de oostpunt van Schiermonnikoog. Hij fietst de tien kilometer langs de laagwaterlijn. Bij aflandige wind zoekt hij in het schelpengruis zeldzame soorten of barnsteen. Na een storm uit zee spoelen drijvende zaken aan: inktvisrugschilden, zee-egels, viskratten en netten met soms zeldzame schelpen. Dieper in het brede strand liggen collectorsitems als noordkrompen, oesters en wulken. Noordkrompen zijn robuuste tweekleppigen, maar de rechterkleppen vind je. De linksgedraaide zijn zeldzaam. De Boer kan dit niet verklaren maar het moet met stroming te maken hebben die alleen vat krijgt op de rechtsgedraaide top van deze schelp. Oesters en wulken zijn weggevist. De oester kreeg de genadeslag van de winter van 1963, de wulk van het giftige tributyltin, waarmee schepen werden ingesmeerd. Nu tributyltin verboden is, herstelt de wulk. „Ik vond dit jaar voor het eerst in tijden twee levende”, zegt De Boer, die zijn vondsten in een krat meeneemt. Hij heeft laden, kisten vol wulken. Ieder kind dat zijn schelpenmuseum Paal 14 bezoekt, krijgt een wulk.

Meer dan op wulken is De Boer uit op noordhorens, die groter worden en sierlijker zijn. En zeldzamer. De gekielde noordhorens, een nóg schaarsere soort, zijn zijn favoriet. „De gekielde noordhoren heeft van die mooie, dikke spiraalribben”, zegt hij, „en de soort moet hier rond een ijstijd hebben geleefd. Je vindt alleen fossiele exemplaren. Maar een ‘gewone’ noordhoren is voor mij ook al een kick.”

De Boer (53) schreef twee boekjes over de schelpen van Schier. In zijn museum is één afdeling gevuld met vondsten van het eiland. In andere vitrines liggen schoonheden van verre stranden. Maar alles is gevonden door De Boer, zijn vrouw en kinderen. „Elke herfst prikken we een kust om schelpen te zoeken”, zegt hij.

Als kind bekeek hij graag de vitrine die de schoenmaker met grote schelpen had ingericht. Zo begon zijn schelpenpassie. Sinds 2003 maakt hij met zijn museum anderen warm. „Museumbezoekers komen vaak terug om een vondst te laten zien.” Kinderen vragen waarom sommige schelpen met hun tweeën een doosje vormen en zijn verbaasd als ze horen dat er een beestje in geleefd heeft. Soms komt een bezoeker met een vondst die zelfs De Boer versteld doet staan. „Vorig jaar belde een meisje dat ze een groot slakkenhuis had gevonden met een beest erin. Ik zei dat het wel een wulk zou zijn met heremietkreeft. Nee, dat dacht zij niet. Het bleek een levende noordhoren te zijn! De tweede vondst in Nederland ooit!”

In meer dan een halve eeuw zoeken zag De Boer schelpen verdwijnen en komen. Het strand ligt bezaaid met Amerikaanse zwaardscheden. Rond 1980 geïmmigreerd, wellicht als larve in ballastwater van een vrachtschip, heeft deze soort drie inheemse soorten mesheften verdrongen. Als opvallend verschijnsel herinnert De Boer zich de invasie van otterschelpen in 1975 en afgelopen winter het touw met eendenmossels. „Ze hebben nog een maand geleefd in het aquarium van het bezoekerscentrum, tot krabben ze opaten.” Al vier keer hebben zijn vrouw en hij een nieuwe schelpensoort ontdekt, die naar hen vernoemd is. „Maar dan moet je denken aan millimeterwerk”, lacht hij.

Bezoek voor meer informatie de site: www.schelpenmuseum.nl