Paraleipsis

‘Ik wil niet chanteren”, begon staatssecretaris Felix Timmermans deze week, „maar...” Met die formule weet je zeker dat er een hoop dreigementen gaan komen. En jawel: als we weer ‘nee’ stemmen tegen de Europese Grondwet, zouden we wel eens uit de Europese Unie gegooid kunnen worden.

‘Ik wil niet..., maar’: deze stijlfiguur heet in de klassieke retorica paraleipsis (niet dat ik hier een partijtje intellectueel wil gaan doen), en je ziet politici er steeds meer naar grijpen. Minister Plasterk wilde deze week niet voor censuur pleiten, maar vond de Donorshow van BNN wel onethisch. Niemand wilde natuurlijk discrimineren, maar het waren wel Marokkaanse supporters die over de schreef gingen. In Kamervragen vraagt Geert Wilders om een stadionverbod van vijf jaar voor álle Marokkanen, plus de wens dat de opgepakte Marokkanen „na hun hopelijk langdurige straffen” met een tandenborstel stadions gaan schoonmaken. Ik wil me nergens mee bemoeien, maar is het niet zo dat we een scheiding van wetgevende en rechterlijke macht hebben, en politici zich niet mogen bemoeien met de strafmaat ?

Terug naar die paraleipsis. Want die heb ik nodig voor het eigenlijke onderwerp van dit stukje: het Mysterie Van De Zeven Rode Vakjes.

Ik wil niet roddelen, maar ik heb wel een vermoeden waarom één Groen-Linkslid in Noord-Holland zeven vakjes rood kleurde bij de verkiezingen voor de leden van de Eerste Kamer. De hiermee gedupeerde nummer vijf op de senatorenlijst was namelijk Herman Meijer. „Seks met kinderen moet kunnen”, heeft hij eens gezegd, en samen met Links Roze bepleitte hij dat de leeftijdsgrenzen uit de zedenwet moesten. Herman Meijer is natuurlijk geen pedofiel, maar hij verklaarde wel eens: „Ik kan ook wel op een knaapje vallen.”

Dat zeg ik natuurlijk allemaal niet om te roddelen, en Meijer heeft ook afstand genomen van zijn standpunten. Op zijn website staat een verklarinkje dat pedofilie terecht in het strafrecht is opgenomen. Wel opvallend dat die verklaring er pas staat sinds het moment dat hij kandidaat-senator is. Daar wil ik natuurlijk niets mee suggereren.

Christiaan Weijts

Schrijver van het boek Art. 285b.