‘Niemand kijkt hier in Libanon naar ons om’

Radi Youssef woonde in het vluchtelingenkamp Nahr al-Bared, totdat daar Palestijnse extremisten van Fatah al-Islam opdoken. Toen hij met zijn gezin vluchtte, werd de bus door het Libanese leger aangevallen.

Zelfs in een Palestijns vluchtelingenkamp in Libanon kan een familie gewoon zijn. Tot twee weken geleden gaf vader Radi Youssef (36), breed, paardenstaart, groene ogen, les in een sportschool aan de rand van het kamp Nahr al-Bared. Zijn zwangere vrouw Montaha (38) zorgde voor hun drie kinderen, zoon Youssef (9) en twee dochters. Hun huisje, ergens in de wirwar van de steegjes van het kamp, was wellicht niet groot, maar voldeed. Om de zoveel dagen maakte Montaha het lievelingsgerecht van Radi klaar. „Ze cijferde zichzelf altijd weg”, zegt Radi nu.

Maar voor een gewone Palestijnse familie in Libanon kan het leven in een flits veranderen. Van de ene op de andere dag was het oorlog rond Nahr al-Bared, en nu is Motaha dood en ligt Youssef gewond in een ziekenhuis.

Fatah al-Islam, een Al-Qaeda-achtige groepering die zich in het kamp had verschanst, en het Libanese leger raakten op 20 mei slaags. Terwijl de wereld via televisiebeelden getuige was van de chaotische gevechten, schuilden Radi, Montaha en hun drie kinderen onder de trap in hun huis in het kamp. Mortieren sloegen in op de bovenverdieping. Dikke rookwolken hingen in de normaal zo rustige straten. Radi, die vijftien keer regionaal kampioen gewichtheffen is geweest, kon niets doen om zijn gezin te beschermen.

„We zijn allebei geboren in Nahr al-Bared”, zegt Radi zacht. Voordat ze zijn vrouw werd was Montaha zijn buurmeisje. „Ze maakte altijd grapjes. Maar ze kon ook stil zijn, en lief.”

Zoals de meeste inwoners van het Palestijnse kamp, waren hun ouders en grootouders na de stichting van de staat Israël in 1948 naar Libanon gekomen. Daar leefden Radi en Montaha een leven zonder burgerrechten.

De circa 400.000 Palestijnen zijn dan wel volgens een verdrag uit 1969 de heersers in hun eigen kampen in Libanon, ze mogen geen huizen erbuiten in eigendom hebben. Bepaalde universiteiten en scholen zijn voor hen niet toegankelijk en veel werk is voor hen bij wet verboden. „Australië. Dat is het land waar Montaha en ik altijd over droomden”, vertelt Radi. „Hoe verder weg hoe beter. Maar niemand wilde ons visa geven voor welk land dan ook. Dus moeten we toezien hoe onze levens voorbij glijden.”

Natuurlijk voelde hij aan dat er problemen waren met de nieuwe mensen in het kamp. Een paar maanden geleden doken er steeds meer leden van Fatah al-Islam op in de steegjes rond Radi’s huis. „Er waren gevechten tussen de oude kampbewoners en de nieuwelingen. Uiteindelijk hebben we afgesproken dat wij hen niet zouden lastigvallen en andersom. Dat is fout geweest”, zegt Radi nu.

Toen het Libanese leger op 22 mei aankondigde dat iedereen die uit het belegerde Nahr al-Bared wilde vertrekken een vrijgeleide kreeg, pakte de familie Youssef, net als meer dan de helft van de 35.000 andere kampbewoners, direct haar spullen.

„Er zou een wapenstilstand zijn. We pakten onze papieren, wat geld en de gouden sieraden van mijn Montaha. Waren we maar nooit gegaan.”

Een stroom schoolbussen verliet het kamp. Radi, Montaha en de kinderen vonden rond 5 uur een plekje in een van de wagens. „We namen dezelfde route als iedereen. Ik zat naast mijn dochters, mijn vrouw naast mijn zoon. Er hingen witte zakdoeken uit de bus. Er zaten iets van 22 mensen in de bus. We waren opgelucht om die hel te verlaten.”

Maar veertig meter voor de eerste controlepost van het Libanese leger ging het opeens mis. Een scherpschutter schoot de chauffeur door zijn keel en een groep soldaten opende het vuur op de bus. „Alles ging zo snel”, zegt Radi. „De bus viel om. Mijn zoon Youssef werd geraakt in zijn zij. Het regende kogels.”

De kinderen huilden. Youssefs rug zat vol met bloed. Radi pakte zijn dochters en Montaha sleepte zich over de stoelen naar de deuren van de bus. „Waarom ze dat deed weet ik niet. Ik denk dat ze de soldaten wilde laten zien dat er vrouwen en kinderen aan boord waren. Dat we geen leden van Fatah al-Islam zijn”, vertelt Radi met een strak gezicht.

Montaha klom door de deuren van de gekantelde bus. Er viel een stilte, voor ze iets kon zeggen klonk een schot. Radi’s vrouw werd in haar hoofd geraakt en was op slag dood. „Ze was vijf maanden zwanger”, vertelt haar man. „Ik rende naar haar toe en nam haar lichaam in mijn armen. Op dat moment ben ik ook gestorven.”

Youssef ligt nu alleen op een kamer in het ziekenhuis van het nabijgelegen kamp Beddawi. Zijn vader staat naast zijn bed. Montaha is begraven op de begraafplaats naast de vuilnisbelt van het kamp. Volgens officiële cijfers zijn er 18 burgerdoden gevallen, volgens de kampbewoners 28.

Een klacht indienen tegen het Libanese leger heeft volgens Radi geen zin. „Niemand kijkt hier naar ons om, we hebben geen rechten in dit land”, zegt hij beslist. Volgens hem zijn er twee opties voor de toekomst. „Of er komt een organisatie die schepen stuurt en ons allemaal meeneemt uit dit land waar we niet welkom zijn”, zegt Radi. „Of ik koop zelf een wapen en ga in het wilde weg schieten. Ik krijg daar Montaha niet mee terug, maar de vernedering moet ergens stoppen.”