Het vrije personenverkeer in een administratief labyrint

Vaak heb ik het afgelopen jaar overwogen dit stukje te schrijven en het niet gedaan. Wat is mijn bureaucratische leed vergeleken bij dat van anderen die verblijven in landen die vast erger en gevaarlijk zijn. België, dat is toch een Europees land? In Nederland heb je óók bureaucraten. Dat dacht ik toen ik bijna 22 maanden geleden naar Brussel verhuisde. Wat was ik naïef.

Ja, er zijn vast landen die erger zijn. Maar daar kun je niet op ieder moment van de dag een gebouw binnenlopen waar je hoort vertellen hoe mooi het vrije verkeer van personen in de Europese Unie is. In Brussel wel. Alleen, zoals een collega zei: „Je steekt de straat over, en het gaat al mis.”

Bureaucraten, je hebt ze hier in aardige en minder aardige varianten. De aardige soort ontmoette ik toen ik na m’n verhuizing een bankpasje ophaalde. In Nederland wordt zoiets snel en onpersoonlijk afgehandeld aan een loket. Hier moest ik eerst een afspraak maken. In het kantoor van de bankemployee volgde iets wat meer leek op een kennismakingsgesprek dan op de verwachte administratieve handeling. „Komt u zaterdag naar ons kinderfeest”, vroeg de aardige bureaucraat.

De minder vriendelijke variant werkt bij de vreemdelingendienst van de gemeente Brussel. Mijn vriendin durft er bijna niet meer naartoe. En om haar is het nu juist te doen. Ze wil hier verblijven omdat ik hier verblijf. En ze is tenslotte ook zo’n vrije EU-burger.

Om kort te gaan: we zijn nu een keer of vijftien in het ‘administratief centrum’ van de gemeente geweest, soms alleen, soms samen. Zulke bezoeken duren uren, want er zijn altijd rijen mensen met vergelijkbare problemen. Elke keer is er weer een nieuw formulier of vergeten stempel nodig.

Zo moest ik, een half jaar na ons eerste bezoek, een papier tekenen waarin ik verklaarde dat ik mijn vriendin zou onderhouden. „Volgende week terugkomen”, zei de ambtenaar. In die week moest de wethouder het document persoonlijk tekenen. Het kwam me wat merkwaardig voor dat een wethouder van een grote stad daar tijd voor had. Maar allez, ik had inmiddels geleerd dat soort vragen niet te stellen.

„En nu”, vroeg ik de volgende keer. Onbegrijpende blikken. „Maar meneer, ú heeft dit document toch aangevraagd?” Na enig bureaucratisch overleg bleek het papier bij een tegenovergelegen loket te moeten worden ingeleverd, door mijn vriendin.

Ik verbaas me erover. Maar de Belgische overheid weet zelf gelukkig hoe erg ze kan zijn. België heeft zelfs een staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, Vincent Van Quickenborne. ‘Q’ wordt hij liefkozend genoemd, alsof hij een soort geheim agent is die probeert het Kwaad van binnenuit te bestrijden. Hij heeft een website: www.kafka.be.

Na veertien maanden kreeg mijn vriendin een tijdelijke verblijfskaart. Maar helaas, die werd samen met haar portemonnee gestolen. Daarom deed ze aangifte bij de politie. Dat ging gemakkelijk, geen kwaad woord over de politie hier. We kennen onze wijkagent goed. Bij elke nieuwe stap in de verblijfsprocedure moet hij langskomen om te controleren of we wonen waar we zeggen te wonen. Hij is nu een keer of vijf bij ons thuis geweest. Waar maak je dat nog mee?

Maar bij het administratief centrum ging het vorige week weer mis toen mijn vriendin haar ‘verblijfskaart’ wilde verlengen. Na een eerste ochtend wachten werd ze – hoogzwanger – teruggestuurd naar het politiebureau. De gemeente had geen bericht gekregen van de politie en nu was de politieverklaring weer verlopen. De volgende dag konden ze haar bij de gemeente niet helpen omdat ze de dag ervoor waren vergeten te zeggen dat ik mee moest komen om nog iets te tekenen.

Ik pakte de telefoon.

„Mevrouw, wát moet ik tekenen?”

„Een verklaring van ten laste neming.”

„Maar die heb ik al getekend.”

„Nee hoor, ik zie ’m hier niet.”

„Mijn partner heeft ’m vanmorgen aan het loket laten zien.”

Uiteindelijk bedacht de bureaucraat een nieuw argument: „U heeft een ‘artikel 123’ nodig.”

Natuurlijk. Maar waarom is dat ons niet eerder verteld?

„Wij geven antwoord op een vraag. Als mevrouw niet de juiste vraag stelt, dan kunnen wij ook geen volledig antwoord geven.”

Mijn vrouw had gevraagd om een nieuwe verblijfskaart.

Ik zeg vaak ‘mijn vrouw’, ook al zijn we niet getrouwd. Waarom niet? Ik heb het me ook afgevraagd – het zou de procedure vergemakkelijken.

Laatst was ik aanwezig bij een huwelijk in de trouwzaal van het oude stadhuis van Brussel. Prachtig. Dat lijkt me ook wel wat. Jammer alleen dat we dan eerst langs het administratief centrum moeten om het te regelen.