Genetische invloed op toon in taal

Verschillen in twee hersengenen blijken samen te hangen met het bestaan van toontalen op aarde. Niet eerder is genetische variatie tussen bevolkingen in verband gebracht met taalkundige verschillen.

Toontalen zijn talen waarin toonhoogteverschillen de betekenis van woorden bepalen, zoals in veel Oost-Aziatische en sommige Afrikaanse talen. Het onderzoek, waarvoor 49 populaties zijn geanalyseerd, is deze week online gepubliceerd in het wetenschappelijke tijdschrift Proceedings of the National Academy of Sciences.

Het gaat om twee genen, ASPM en Microcephalin, die vorig jaar al in het nieuws kwamen omdat er mutaties in voorkwamen die pas respectievelijk 6.000 en 37.000 jaar geleden zijn ontstaan. Dat is heel jong voor een over de hele wereld voorkomende mutatie. Nu blijkt dat in bevolkingen waarin de gemuteerde vorm vaak voorkomt, weinig toontalen gesproken worden.

Dit kan betekenen dat toontalen de oudere menselijke talen zijn, en niet-toontalen een recentere vernieuwing. Het lijkt overigens onwaarschijnlijk dat het minder goed leren van toontalen heeft geleid tot de snelle verspreiding van de mutaties over de wereldbevolking. Waarschijnlijk hebben de genvarianten ook andere effecten.

Het verband tussen genetische gesteldheid en gebruik van toon als taalkundig element komt niet helemaal als een verrassing. In een eerder onderzoek werd sprekers van het Engels (geen toontaal) een kunstmatige toontaal aangeleerd. Toen bleek dat een deel van die groep succesvoller was in het aanleren van de toontaal. Die groep had ook een iets andere hersenanatomie: meer grijze massa in de linker gyrus van Heschl. Het is waarschijnlijk dat zo’n verschil genetisch is. Die genetische invloed is nu bevestigd.

De onderzoekers, van de universiteit van Edinburgh, vermoeden dat een subtiele verandering in de organisatie van de hersenschors voldoende kan zijn voor de invloed van het gen op toontalen. Uit computersimulaties is bekend dat kleine verschillen in leervermogen over de loop van generaties grote taalkundige verschillen kunnen doen ontstaan.

Het is overigens niet zo dat mensen met de gemuteerde varianten geen Chinees of andere toontalen kunnen leren, maar ze hebben er wel wat meer moeite mee. Als in een land veel van dit soort mensen wonen, zal een toontaal in dat gebied na een aantal generaties zijn toonkarakter verliezen. Dat soort gevallen zijn wel uit de praktijk bekend.