Geen donor? Dan ook geen nieuw orgaan

Slechts 2,8 miljoen Nederlanders staan als orgaandonor geregistreerd. Jaarlijks overlijden honderden mensen omdat niet tijdig een vervangend orgaan beschikbaar is. Op 1 april 2007 stonden er 1055 mensen op de wachtlijst voor een niertransplantatie, 147 voor een lever en 136 voor een long. In 2006 kwamen slechts 360 nieren, 83 levers en 52 longen beschikbaar.

De toenemende individualisering van de maatschappij wordt gezien als de voornaamste reden dat steeds minder mensen postuum hun organen beschikbaar willen stellen. Deze egoïstische levenshouding vraagt om drastische maatregelen om de schaarse donororganen eerlijker te verdelen. Een rechtvaardiger en minder vrijblijvend beleid zal er tevens voor zorgen dat meer mensen zich als donor registreren.

Ik poneer vier maatregelen om het tekort aan orgaandonoren op te lossen.

1. Introduceer het ‘voor wat hoort wat’-beginsel.

Een verzekeringsmaatschappij keert niet uit wanneer je huis afbrandt terwijl je geen premie hebt betaald. Iedereen accepteert dit principe van collectieve risicospreiding. In de gezondheidszorg is dit beginsel in de loop der jaren aan het zicht onttrokken. Premies zijn verplicht en inkomensafhankelijk gemaakt, en er bestaat geen relatie meer tussen de hoogte van de eigen bijdrage en de kwaliteit van de zorg. Gezondheidszorg is een recht geworden waar geen plichten meer tegenover lijken te staan, en daarmee is de eigen verantwoordelijkheid verdwenen.

Het is zelfs zover doorgeschoten dat mensen die niet verzekerd zijn tóch geholpen worden. We noemen dit ‘sociaal’ en vergeten voor het gemak hoe asociaal het is om wel zorg te verlangen maar geen premie te betalen.

Die doorgeschoten ‘sociale’ aanpak vinden we ook bij orgaantransplantaties. Wie een nieuwe nier of lever nodig heeft komt op een wachtlijst, ongeacht de eigen bereidheid om na overlijden organen af te staan. Dat is onrechtvaardig ten opzichte van mensen met een donorcodicil die op de wachtlijst staan.

Op zijn minst zouden we voorrang moeten geven aan geregistreerde donoren. Maar het mag wat mij betreft ook zo zijn dat iemand die niet bereid is zelf organen te doneren domweg niet voor transplantatie in aanmerking komt, zelfs al hebben we een overschot aan donororganen. Zo’n maatregel geeft een duidelijk signaal: wie zich niet als donor laat registreren, heeft geen recht op een orgaantransplantatie.

2. Geef donoren meer beschikkingsrecht over hun organen.

Bij leven heeft iedere volwassene het volledige beschikkingsrecht over zijn of haar organen. Wel geldt de restrictie dat er geen financieel gewin mag zijn. Uiteraard kunnen de meeste organen niet zonder problemen worden afgestaan. Toch werd vorig jaar 195 maal vrijwillig een nier gedoneerd, in de meeste gevallen aan een familielid. Het is ook mogelijk een halve lever af te staan, een longkwab, of beenmerg.

Ik kan in mijn testament laten vastleggen aan wie ik mijn auto nalaat of mijn boeken. Is het niet vreemd dat ik geen zeggenschap heb over mijn meest persoonlijke bezit – mijn lichaam? Ik mag wel bepalen dat mijn dode lichaam gecremeerd wordt of begraven, of dat ik het ter beschikking van de wetenschap stel. Maar het is niet mogelijk te beslissen over het lot van mijn nieren, lever, longen, hoornvliezen en huid.

Er zijn momenteel slechts twee opties: ik stel mijn organen niet ter beschikking, of ik doneer ze aan iedereen. Medici hebben de Hippocratische eed afgelegd en mogen derhalve niet discrimineren. Maar waarom mag ik geen onderscheid maken, zoals ik dat wel mag omtrent mijn auto en mijn boeken? Het is merkwaardig dat ik geen persoonlijk voorbehoud aan mijn donorcodicil kan toevoegen, zoals ‘ik wil mijn hart en longen niet nalaten aan een roker, en mijn lever niet aan een alcoholist’.

Ook zou ik bepaalde groepen willen uitsluiten van het vruchtgebruik van mijn lichaam, zoals moordenaars en mensen die zelf geen orgaandonor zijn. Zoals de wet op orgaandonatie nu is geformuleerd, is mij niet laten registeren als orgaandonor de enige mogelijkheid om er zeker van te zijn dat Mohammed B. straks niet een van mijn nieren krijgt.

3. Verlaag de ziektekostenpremie van donoren.

Orgaandonoren helpen passief mee om het leven van (dood)zieke medemensen te verbeteren. Dat zou tot uitdrukking moeten komen in hun ziektekostenpremie. We hebben in Nederland gekozen voor een collectief systeem waarin alle burgers – ziek en gezond – iedere maand (onvrijwillig) geld storten in de grote pot waaruit de kosten van de gezondheidszorg worden bekostigd. De vrijwillige postume donatie van organen moet gezien worden als een alternatieve bijdrage die een kleine verlaging van de maandelijkse financiële bijdrage rechtvaardigt.

Een verlaging van 5 procent lijkt mij redelijk. Dit wordt ongetwijfeld niet gecompenseerd door lagere kosten voor gezondheidszorg voor de ontvangers van orgaantransplantatie. Sterker nog, ik denk dat die kosten hoger uitvallen (dure operatie, veel nazorg).

Verreweg de goedkoopste oplossing is dat patiënten die wachten op een transplantatie gewoon dood gaan. Er bestaan echter richtlijnen omtrent de waarde van een mensenleven, zowel in absolute zin (1 miljoen euro) als per gewonnen levensjaar (80 duizend euro). Die besparingen kunnen worden omgeslagen over de geregistreerde orgaandonoren. Als dat niet kostendekkend is, laten we niet-donoren iets meer premie betalen.

4. Bied auto- en motorrijders meer gelegenheid donor te worden.

Zelfs als iedereen orgaandonor is, blijft het wachten op gezonde en liefst jonge mensen die overlijden. De meeste bruikbare organen zijn afkomstig van slachtoffers van een verkeersongeval of een ongeluk in en rond het huis. Wettelijke maatregelen die het aantal doden in beide categorieën terugdringen zijn nadelig voor het beschikbaar komen van donororganen.

Het gaat te ver om het verkeer doelbewust onveiliger te maken, bijvoorbeeld door het opheffen van de maximumsnelheid. Maar het valt te overwegen om betuttelende regels af te schaffen die zijn gericht op vergroten van de overlevingskans van bestuurders bij een ongeval, zoals helmplicht bij motorrijders en het dragen van autogordels. Voorwaarde is wel dat andere weggebruikers geen verhoogd risico lopen.

Deze vier maatregelen zullen het tekort aan donororganen terugdringen. Enerzijds door meer mensen te bewegen orgaandonor te worden, anderzijds door de schaarse donororganen die beschikbaar komen rechtvaardiger te verdelen.

Dap Hartmann is universitair docent innovatiemanagement en ondernemerschap aan de TU Delft. (Opgenomen in het donorregister)