Een fijn gesprek helpt

Cas van Kleef (18) reist voor Spunk door Zuidoost-Azië. Hij krijgt 50 euro per dag, waarmee hij zichzelf en mensen in zijn omgeving moet redden. In dit verslag praat hij in Bangkok met een veroordeelde Nederlandse drugssmokkelaar.

Bangkok, Thailand. Je hoort verhalen over Nederlandse vakantiegangers bij wie drugs in de bagage zijn verstopt, en die opeens in een Thaise gevangenis zitten. Thailand voert een keihard anti-drugsbeleid. Gevangenen schijnen door bewakers te worden mishandeld, gaan dood van de honger of worden opgevreten door kakkerlakken. In Bangkok zit een tiental Nederlanders in de Bangkwang-gevangenis en ik wil horen of het echt vreselijk is.

Op internet lees ik het verhaal van Hans Zegers. Het komt erop neer dat hij gedwongen werd een pak pillen te smokkelen, anders zou zijn broer worden doodgeschoten. De douane pakte hem. Hij schijnt als lokaas gebruikt te zijn en kreeg levenslang. Hij zit al 4,5 jaar in de Bangkwang-gevangens. Op internet staat dat ik al help door gewoon met hem te praten.

Na een klein uurtje met de busboot over de Chao Praya, de grootste rivier in Bangkok, sta ik voor de Bangkwang-gevangenis. Een bewaker wijst met zijn geweer naar me, en zegt dat ik op Harry Potter lijk. Ik ben blij dat hij me niet in elkaar laat slaan. Ik lever mijn bezoekersformulier in, en krijg een rood stempel. Ik moet mijn tas inleveren, en word naar een lange gang met tafels en telefoons gedirigeerd. Ik kijk tegen betralied glas, anderhalve meter niks, en dan weer betralied glas met daarachter een tafel met telefoon. Ik bedenk me wat een bizarre situatie dit is. Wat zeg je tegen iemand die je niet kent en de rest van z’n leven hier moet zitten?

Na twintig minuten zie ik een lange, blonde man langslopen. Hans gaat met een glimlach zitten. Hij heeft geen idee wie ik ben, dus ik stel me voor.

Hans: „Het is echt een verrassing dat ze je hebben binnengelaten. Ik hoorde dat veel mensen zijn weggestuurd. Ik heb al anderhalve maand geen bezoek gekregen. Ik vind het leuk dat je er bent. Elk contact met de buitenwereld is belangrijk. Je leeft hier helemaal in je eigen wereld. Het is gewoon fijn om te kletsen.”

Hij vertelt over een gewone dag in de gevangenis. Hans: „Om half zeven worden we onze cel uitgeschopt, en dan begint de dag. Een beetje rondhangen, koken, praten, roken. We krijgen een keer per dag te eten, maar daar kan je niet van leven. De rest moeten we kopen. Er is een gevangeniswinkeltje waarin dat kan, als ik geld heb. De Nederlandse overheid geeft me een lening, maar dat is lang niet genoeg. Mijn broer kan soms bijspringen, maar ik wil hem niet teveel lastig vallen. Hij heeft al een tweede hypotheek moeten nemen om mijn Thaise advocaat te betalen.” Hans probeert vrolijk te klinken, maar hij heeft een onvaste stem. Hij zegt: „Op de binnenplaats loopt een goot die dienst doet als open riool, en omdat het vanmorgen zo hard regende is die helemaal overstroomd. Ik stond net met m’n knieën in de stront. Om zes uur ’s avonds moeten we de cel weer in. Ik slaap in een kamer van 24 m2 met 11 mannen. Dat is nog behoorlijk luxe. Je hebt bepaalde gangs in mijn gebouw. De Nigerianen handelen in heroïne, de Pakistanen hebben hasj en de Chinezen gokken. Veel Thaise mannen zijn vertrouwelingen van de bewakers. Zij zijn het die vuile klusjes voor de bewakers opknappen, zoals gevangenen in elkaar slaan. Het zijn vaak verklikkers. De westerlingen plakken niet aan elkaar. Maar ik heb wel een Australiër waarmee ik praat.”

Ik vraag ’m hoe hij de moed erin houdt. Hans: „Soms zit ik wel in een dal. Elke week sterft hier wel iemand aan aids of steekwonden. Als je dan lang niks van thuis hoort kan je snel afglijden.”

Ik zit te vissen naar hoe hij vindt dat ik hem moet helpen en merk dat hij niks wil vragen. Ik moet ’m bijna dwingen. Hans: „Geld is niet erg handig. Ik heb het wel nodig, maar de gevangenis pikt 10 procent in. Er zit wel een winkeltje naast de gevangenis waar je dingen voor mij kan kopen.”

Ik maak een boodschappenlijstje als er een bewaker langskomt om te zeggen dat we moeten stoppen. Ik beloof dat ik vanmiddag nog probeer langs te komen. We nemen afscheid, en ik loop naar buiten.

Het kwam erop neer dat Hans eigenlijk alles nodig had. Ik koop sardientjes in blik, postzegels, onderbroeken, 20 pakjes sigaretten, shampoo, talkpoeder, en fruit. Hij zei me dat hij vorige week jarig was. Ik koop daarom ook Cola en Pringles.

In het registratiekantoor wacht me een koude douche: „No, no. Only one visit a day.” Ik probeer mijn Harry Potter-status uit te melken, maar de bewaker bezwijkt niet. Ik ga terug naar de boot en bedenk dat dit misschien de beste vier uren zijn die ik besteed heb. Ik heb alleen maar gesproken en zo iemand intens gelukkig gemaakt. Je kan je druk maken om alle mensenrechten maar het heeft veel meer effect als je je op een iemand concentreert.