De onbetaalde rekening van de liefde

De seksindustrie verkeert in staat van beroering. Na het afschaffen van het bordeelverbod vechten de uitbaters naheffingen van de fiscus aan.

„Voor u verder gaat, ik moet even iets rechtzetten. Wij zijn geen bordeel, maar een parenclub.” De bordeelhouder wil niet met zijn echte naam in de krant noch met die van zijn club. Want: „De fiscus is niet blij met wat wij doen”. En als de erotische ondernemer iets vreest, zo leert een rondgang in deze branche, dan is het de Belastingdienst. Dat komt door de huidige fiscale definitie van een prostituee.

Voor de afschaffing van het bordeelverbod betaalde de klant voor de huur van de kamer en voor de diensten van de dame. De bordeelhouder betaalde over de ontvangen kamerhuur inkomstenbelasting en de dame moest maar zien hoe zij haar inkomsten rechtvaardigde. Een bordeelhouder in Amsterdam: „Nu zegt de fiscus dat je over het gehele bedrag inkomstenbelasting moet betalen en bovendien moet je loonbelasting inhouden op het inkomen van de dame. Heb je dat niet gedaan, omdat ze niet in loondienst ís en je niet eens haar sofinummer of adres hebt, dan kan je ook nog eens een strafheffing krijgen van ruim 120 procent bovenop wat zij heeft verdiend. Ik ken mensen die tot vier ton aan naheffingen hebben opgelegd gekregen.”

Nee, hij wil niet met zijn naam in de krant, „want ik heb nog een paar zaken tegen ze lopen.”

In de zaken die voor de Raad van Beroep zijn gekomen stellen massagesalon- en bordeelhouders dat zij slechts een ‘facilitaire relatie’ onderhouden met de dames. Ze verhuren kamers en hebben verder niets te maken hebben met de activiteiten van de gastvrouwen en masseuses in die kamers. De dames kunnen buiten inmenging van de kamerverhuurder een prijs bedingen en hun diensten zelfs weigeren, aldus een exploitant. Dus zijn ze ‘zelfstandig’.

[Vervolg Prostitutie: pagina 16]

Zelfstandigheid hoeren door fiscus betwist

In het onlangs verschenen WODC-rapport Evaluatie Opheffing Bordeelverbod constateren de onderzoekers dat ook 95 procent van de prostituees zich als ‘zelfstandig’ beschouwt. De fiscus ziet dat anders. Volgens de Belastingdienst deelt de kamerverhuurder letterlijk de lakens uit: hij verstrekt condooms, handdoeken en glijmiddelen en houdt soms een werkrooster bij, kortom hij onderhoudt een gezagsrelatie met de dames. Een gezagsverhouding waarbinnen de dames voor hem arbeid verrichten en inkomsten genereren: de dames zijn in loondienst. Tot dusver heeft de rechter de fiscus in het gelijkgesteld.

Ten onrechte, vindt Jurgen Warmerdam, secretaris fiscale zaken van het MKB. De Vereniging Exploitanten Relaxbedrijven (VER) is naar het MKB gestapt om steun te zoeken in haar strijd tegen de fiscus. Warmerdam omschrijft de uitspraken van de rechter als ‘zwak’. „Uit het simpele feit dat prostitutie is gelegaliseerd, volgt automatisch dat de prostituee zelfstandig is”, zegt hij. Het opheffen van het bordeelverbod had immers primair tot doel onvrijwillige prostitutie tegen te gaan. Zou een prostituee, zoals de Belastingdienst dat ziet, in dienst zijn van een bordeelhouder, dan zou zij een arbeidsverplichting hebben. En iemand verplichten tot seksuele verrichtingen is nog steeds bij de wet verboden. Dus, zegt Warmerdam, formeel kán een prostituee niet eens een dienstbetrekking hebben.

Leo de Klein – Bar de Postillon – weet wel waarom de Belastingdienst de dames in loondienst wil plaatsen. „De fiscus kan moeilijk aan het geld van de dames komen.” Math Tonnaer, advocaat en belastingkundige, beaamt dat in een pleitnota: „Niet het opleggen van van de aanslagen of het sturen van een uitnodiging tot betaling is voor de Belastingdienst hét probleem, doch de inning en vordering”.

Dat de fiscus moeilijk de inkomsten uit prostitutie kan belasten, staat ook in het eerder genoemde WODC-rapport. Volgens de onderzoekers betaalt ruim zestig procent van de prostituees geen belasting over de inkomsten uit prostitutiewerk. De belangrijkste reden om niet te betalen, zeggen de dames, is dat ze te weinig verdienen. En: „Verschillende prostituees en exploitanten stellen dat de meerderheid van de prostituees ook een uitkering ontvangt en niet wil dat hun extra inkomsten bekend worden bij de Sociale Dienst of het UWV.” Dus moet de exploitant daarvoor opdraaien. Maar, zo stelt Tonnaer: „Er zijn dames die zich vrijwillig prostitueren en niet afhankelijk willen zijn van een pooier. Doel van het opheffen van het bordeelverbod was om juist aan die situatie een eind te maken.” Ongeacht wat de dames zelf zeggen over de arbeidsverhoudingen op het werk houdt de Belastingdienst echter aan vast aan het loondienstbeginsel.

In het fiscale touwtrekken om de status van de prostituee en de afdracht van belasting zoeken exploitanten en prostituees naar mazen in de wet. Advocaat E. Groot heeft ook een paar exploitanten van ‘relaxhuizen’ verdedigd. „Vroeger was alles verboden en kon alles, nu is het toegestaan en mag bijna niets meer. Dan zoeken de ondernemers andere wegen.” Hij wijst de weg naar de eerder vermelde bordeelhouder, „die heeft zijn zaken goed geregeld”, aldus Groot.

De constructie ‘parenclub’ die hij heeft gekozen voor zijn bedrijf, maakt dat hij belastingtechnisch in een lage tariefgroep is gekomen. „Door de week betalen mannen alleen, 35 euro entree. Stellen hoeven geen entree te betalen en vrouwen alleen ook niet.” Over frisdrank betaalt eerdergenoemde bordeelhouder 6 en over sterke drank 19 procent omzetbelasting. Er komen in zijn bedrijf stellen die ‘het’ met andere stellen willen doen, maar soms is het thema ‘amateurprostitutie’. Dit betekent dat er dames naar de club komen „die op geheel eigen initiatief mee doen aan het thema”. Nadrukkelijk staat er op zijn website dan ook dat hij „dus geen prostituees in dienst” heeft. „Alle vrouwen die aan het thema meedoen zijn amateurs. Ze mogen daar wel een vergoeding voor vragen van maximaal 30 euro.”

Volgens de bordeelhouder komen zijn bezoekers vooral voor „een stuk sociaal contact”. „Het is een spel”, zegt hij. „Als je als dame geld vraagt, al is het maar één euro, ben je prostituee. Maar er zijn er zo veel hier op de club die er geen geld voor vragen. En ik kan natuurlijk niet controleren wie wordt betaald en wie niet.” Het zal volgens hem nog knap lastig worden voor een inspecteur van de belastingen om in zijn parenclub te controleren of de vrouwen er vrijen om een centje bij te verdienen of voor hun onbetaalbare plezier. Dat denkt ook de manager van YinYang. Hij werkt in een zogeheten saunaclub. „Entree is vijftig euro. Ja, wat er verder kan? Het kan gratis, het kan betaald. Wat mannen en vrouwen onderling doen, daar hebben we niks mee te maken. Wij stellen faciliteiten beschikbaar. Men komt hier voor de ontspanning. Het is meer een wellness gebeuren zeg maar”.

De woordvoerder van de Belastingdienst erkent dat een aantal paren- en saunaclubs onder een laag tarief opereren. „Die hebben aannemelijk weten te maken dat zij geen dames in dienst hebben”. Hij geeft toe dat het controleren van een parenclub lastig is. „Maar we moeten in ieder bedrijf kijken wat de feiten en omstandigheden zijn”. Hoe de belastingambtenaren binnen willen controleren welke en hoeveel dames professioneel erotische diensten verkopen, kan de woordvoerder niet zeggen.

De bordeelhouder heeft hij de schijn tegen. Op internet is bij alle bordelen, massagesalons, relaxhuizen, sauna- en parenclubs commentaar te lezen van bezoekers aan die gelegenheden. Een ‘Bettina’ zegt op internet over zijn zaak: „Elke avond amateurprostitutie! Maar er lopen professionele meisjes rond en in de kleedkamer zie je (misschien niet te geloven, maar meerdere keren gezien!) dat die meisjes regelmatig hun verdiende geld afdragen aan hun pooier! Lekker amateur! Niet dus!”

Ook over Yinyang zijn de internetcommentaren duidelijk. Habitués vertellen dat bij Carmen orale seks 25 extra kost en dat Hilke ‘gewoon een leuke meid’ is „die waar biedt voor de 50 euro”.

Maar Yinyang mag geen bordeel heten en de dames zijn er, net als in de eerdergenoemde parenclub, niet in loondienst, vindt de Belastingdienst. Bordeelhouders en eigenaren van massagesalons vinden dat de dienst hier met twee maten meet.