Asperges

De plek waar ik het minst van mijn eten geniet, is het terras van het restaurant. Misschien moet ik er maar niet meer aan beginnen. Het zal wel door mijn rare beroep komen dat ik om me heen te veel dingen zie en hoor die me van mijn entrecote afleiden.

De laatste keer stond het voorgerecht nog maar net op tafel, toen in mijn buurt een jonge, knappe vrouw met twee peuters plaatsnam. Ze praatte druk met haar kinderen, een jongen en een meisje. Het meisje begon ijverig vlechten te leggen in het haar van haar moeder. Toen hoorde ik opeens uit de mond van de moeder een zin komen, die dit hele vertederende tafereel zo’n wrange bijklank gaf: „Volgende week zijn jullie bij je vader en dan moeten jullie…”

Daar ging mijn soep.

Meteen begon ik te piekeren over al die jonge, alleenstaande moeders-met-kleine-kinderen die ik tegenwoordig om me heen zie. Something happened, en very vlug, maar wat precies? Soms worden ze van de ene op de andere dag in de steek gelaten door hun man, die het bij nader inzien toch wel een heel gedoe vond, zo’n gezin. Maar ook wijzen ze zelf, opgetild door een golf van spontane afkeer, hun man het gat van de deur: „Jij eruit of ik.”

Hoe zou het bij deze vrouw gegaan zijn? Ik zat daar nog over te fantaseren toen het echtpaar aan het tafeltje naast mij begon te praten. Hij leek me een gearriveerde zakenman op leeftijd, zij zijn volgzame, wat jongere vrouw.

„We moeten nog een boodschappenlijstje voor morgen maken”, zei zij, „zullen we asperges eten?”

„Ja, dat is lekker, en zullen we dan Louis en Charlotte vragen?”

Ze aarzelde nog met haar antwoord toen hij zijn mobieltje al had ingetoetst. „Louis! We gaan morgen asperges eten, doen jullie mee?”

„Ze komen!” juichte hij even later.

„Ze hebben een kind bij zich. Weten ze dat ze een campingbedje moeten meenemen?”

Hij wapperde licht geïrriteerd met zijn handen. Altijd die praktische bezwaartjes. „Daar denken ze heus wel aan.”

Hij pakte zijn mobieltje weer. „We kunnen natuurlijk ook nog Hans en Ellen vragen.”

„Dat is wel erg veel asperges schoonmaken.” Ze zuchtte het zo voorzichtig mogelijk.

Maar hij belde al. „Hans, Karel. Komen jullie gezellig asperges eten?”

De vraag scheen bij Hans een vreemde aarzeling op te roepen. „Ja, met Karel! Karel, je weet wel, je kent me toch nog wel?” Hans moest kennelijk diep in zijn geheugen duiken. Karel legde teleurgesteld zijn mobieltje neer. „Ze kunnen niet”, zei hij.

„Was dat nou een grapje?” vroeg zijn vrouw. „Dat hij jou niet meer kende?”

Dát had ik me nou ook net afgevraagd. Karel mompelde iets ontwijkends. Hij klonk een beetje mat, hij kon nu maar met drie mensen asperges eten – wat overigens nog altijd beter was dan alleen met zijn vrouw.

Ik liet mijn blik over het terras dwalen. Verdomd, het leek wel of daar mijn moeder zat. Grijs haar, bloemetjesjurk. Zelfde gestalte, zelfde houding. Ze praatte met een oude heer. Nee, niet mijn vader. Ik hield mijn adem in. Moeder terug op aarde! Ik kon mijn ogen niet van haar afhouden. Is het vreemd dat ik op terrassen bijna geen hap meer door mijn keel kan krijgen?