Pater als ‘aanspreekpunt’ in hemel

Iedere katholiek kan iemand voordragen voor een heiligverklaring.

Maar de procedure duurt lang en werkt volgens strikte regels.

Zondag spreekt paus Benedictus XVI officieel de heiligverklaring uit van pater Karel Houben, die zowel bij leven als na zijn dood over genezende kracht zou hebben beschikt. Hoe is die heiligverklaring tot stand gekomen?

Iedere gedoopte katholiek kan iemand voordragen voor een zalig-of heiligverklaring. Zowel zalig als heilig geeft aan dat iemand in de hemel is. Het verschil is dat een heilige over de hele wereld aanspreekpunt in de hemel kan zijn, een zalige alleen in de plaatselijke kerk. Zaligverklaring gaat als regel aan heiligverklaring vooraf.

Het is niet vreemd dat iemand aanspreekpunt in de hemel is. „De apostel Paulus”, zegt hoogleraar Stefaan van Calster, „duidt de kerk aan als gemeenschap der heiligen. De band die gelovigen met elkaar hebben eindigt niet met de dood, maar duurt voort.” Van Calster, emeritus hoogleraar pastorale theologie en docent aan twee grootseminaries, is voorzitter van de ‘kerkelijke rechtbank’ die het verzoek onderzocht om heiligverklaring van pater Karel Houben. „Zoals mensen op aarde medegelovigen om hulp kunnen vragen”, zegt hij, „zo kunnen ze dat ook aan gestorven gelovigen in de hemel vragen. Velen roepen Maria aan als voorspraak bij Jezus. Maar ook andere heiligen kunnen daartoe worden aangeroepen.”

Voorzitter van een kerkelijke rechtbank word je niet zo maar. De Belg Van Calster heeft een lange staat van dienst in de rooms-katholieke kerk. Hij is emeritus hoogleraar pastorale theologie van Leuven en doceert aan de grootseminaries in Rolduc en ’s Hertogenbosch. Bovendien is hij hoofdredacteur van het internationale katholieke tijdschrift Communio en tevens pastoor in het Limburgse Eijsden (Mariadorp).

Voordat iemand zalig of heilig wordt verklaard, bestaat er vaak al een vorm van volksdevotie. Ook bij pater Houben was dat het geval. Hij werd op 11 december 1821 in Munstergeleen geboren en trad in 1845 in bij de passionisten in Ere (België) en werd in 1850 tot priester gewijd. Als missionaris werd hij naar Engeland en later naar Ierland gestuurd. In het klooster Mount Argus bij Dublin (waar hij in 1893 overleed) zou hij over genezende krachten hebben beschikt. Daarom werd hij al vereerd. In 1988 werd hij zalig verklaard.

Niet elk verzoek om zaligverklaring of heiligverklaring wordt ingewilligd: de regels zijn strikt. Hoogleraar Van Calster: „Elk verzoek komt in eerste instantie bij de bisschop terecht, die zich laat adviseren door een groep van twee theologen en twee historici. Zij gaan na of de persoon om wie het gaat inderdaad een voorbeeld van heldhaftige christelijke levenswandel is geweest. Ook controleren ze of hij of zij geen dingen heeft gezegd of geschreven die in strijd zijn met de leer van de kerk.”

Als het advies positief is, stelt de bisschop een kerkelijke rechtbank in. Die bekijkt of er gronden voor zalig- dan wel heiligverklaring van de betrokkene zijn. Daarvoor moet onomstotelijk worden vastgesteld dat iemand op voorspraak van de overledene genezen is, zonder dat daar een medische verklaring voor is. De instelling van de kerkelijke rechtbank moet publiek bekendgemaakt worden, zodat ook critici van een heilig- of zaligverklaring zich kunnen melden. De rechtbank telt een voorzitter, een medicus en één of twee notarissen die alle betrokken documenten op echtheid controleren.

Het proces van de kerkelijke rechtbank gaat over de heiligheid van het leven van de betrokkene en over de medisch niet verklaarbare genezing. De rechtbank vraagt de postulator (de aanvrager van de heilig- of zaligverklaring) veertig personen voor te dragen die kunnen getuigen over het heldhaftigheid van het christelijk leven van de aspirant-heilige. Ook moeten vijftien getuigen kunnen vertellen over de onverklaarbare genezing in combinatie met het aanroepen van de aspirant-heilige. Onder die vijftien zijn in elk geval de artsen die bij de behandeling van de zieke waren betrokken. Ook zij worden onder ede gehoord. Hoogleraar Van Calster: „Dat werk gebeurt heel grondig. Het onderzoek wordt later in Rome weer gecontroleerd. En het zou wel erg gênant zijn voor de bisschop als een aanvraag onvoldoende onderbouwd is.”

Het verzoek gaat verzegeld via de pauselijke nuntius (ambassadeur) in Den Haag naar het Vaticaan. In Rome wordt de aanvraag opnieuw onderzocht. Daar wordt het verzoek beoordeeld door een raad van vijf artsen, waarna het via het college van theologen en daarna het college van kardinalen bij de paus terechtkomt.