Misantropie

Ergens aan het begin van haar roman De pianiste beschrijft Elfriede Jelinek in een flashback hoe de jonge Erika Kohut, beladen met muziekinstrumenten, de tram neemt naar het conservatorium. De scène is blijven hangen omdat ze de misantroop in het hoofdpersonage op een bewonderenswaardig dynamische wijze naar voren laat komen, onmiddellijk nadat we haar als volwassene het slachtoffer hebben zien worden van een al even energieke ruzie met haar moeder. In de tramscène probeert Erika de dringende mensenmassa om zich heen zoveel mogelijk te beschadigen. Ze schendt de nationale Oostenrijkse klederdracht met haar vuisten. Ze doet alsof ze haar veters strikt om, aan het gezicht onttrokken, scheenbenen toe te takelen. „Als een kamikaze gebruikt ze zichzelf als wapen.”

Afgelopen zondag heb ik intens aan deze scène gedacht. Ik deed mee aan „de twintig kilometer door Brussel”, een hardloopwedstrijd. Waarom ik – niet onbekend met mijn sluimerende misantropie en angst voor grote menigten – besliste deel te nemen, is een terechte vraag. Ik bezoek al jaren geen festivals meer, laat elke mars aan mij voorbij gaan. En ik wist dat er 28.000 deelnemers zouden zijn. De drang een nieuwe overwinning te behalen op mijzelf woog wellicht zwaarder door dan het afgrijzen voor de mensenzee.

Toen ik mijzelf toevoegde aan de stapel hardlopers in het zuurstofschaarse metrostel, begon de realiteit tot mij door te dringen. Net bovengronds uitgebraakt, werd ik bij de ingang van het Jubelpark tussen een buik en een rug geperst en naar de tent met badges en borstnummers gestuwd. Op dezelfde wijze bereikte ik de kleedkamer blind, waar mensen in sportieve maar ingewikkelde outfits, mij herhaaldelijk met knieën en ellebogen bewerkten. Daar gingen ze mee door tot bij het vertrekpunt waar zij zich, op elkaar gepakt, probeerden op te warmen. Het is een wonder dat ik maar een keer iemand hardhandig heb weggeduwd. Het ging hier meer om het wegduwen van een vuist die mij – ongetwijfeld onopzettelijk – langs mijn rectum trachtte te benaderen.

Het moet gezegd: het hardlopen zelf was fijn. Als bij wonder hielden de ongewenste aanrakingen op bij het startschot, wat het bevrijdende gevoel van de sportprestatie meteen benadrukte. De overwinning op mijzelf werd ook volbracht aangezien ik nooit eerder twintig kilometer aan een stuk had gerend. Het ging in feite zo probleemloos dat ik zowaar zou durven te beweren dat de onbekende supporters aan de kant en de opgestoken duimen en glimlachjes tussen de hardlopers een aanmoedigend effect sorteerden. Wij leden samen, wij waren blij. Brussel was voor ons vrijgemaakt en wij vonden het grappig om door drie opeenvolgende tunnels te rennen. Het park van Tervuren scheen ons lieflijker dan anders, net als het weer. Ook schiep ik er een boosaardig plezier in anderen in te halen.

Bij de laatste kilometer had ik het gevoel de straat te zullen verlaten om op een sierlijke zweefvlucht over te gaan. Mijn gelukzalige grijns moet mij met een krankzinnig elan hebben omgeven. Een teveel aan endorfines krijgt ook weer iets angstaanjagends.

Dichtbij de aankomst vernauwde de straat, waardoor ik samen met een tweehonderdtal andere lopers een kwartier lang voor, in plaats van na de finish strandde. Mijn euforie bleef aanvankelijk intact. Daar kwam verandering in toen enkelen erg gefrustreerd werden over het feit dat hun tijd niet werd geregistreerd zolang zij hun voet niet op de mat bij de finish konden zetten. Het geduw keerde in verhevigde mate terug. Dit keer was iedereen uiterst bezweet. Met mijn neus in iemands oksel voelde ik Erika Kohut met gemak weer in mij neerdalen.